zondag 13 oktober 2019

DE ZIEKTE VAN WEIMAR

Wat is de ziekte van Weimar? 
Geen idee.
De ziekte schijnt grimmige pijn te veroorzaken.
Ene jonge Werther lijdt eraan.
Ernstig liefdesverdriet.
Hij pleegt zelfmoord.
Velen volgden zijn voorbeeld.
Melancholie. Teveel zwarte gal.
Maar is het de ziekte van Weimar?
Werther is een verhaalpersonage, bedacht door Goethe.
Die woonde in Weimar. Goethe dan
Hij was zeer beroemd.
Aan de Ilm, achter Goethes huis, staat een beeld: een bol op een kubus.
De bol is het hoofd en de kubus moet het dragen.
Zo steunt het concrete het weten.
Het Ding an sich.
Zo'n beeld wilde ze in Franeker ook.
Tenminste in een boek van Kees 't Hart.
Op de kaft van dat boek staat een afbeelding van een kleurencirkel.
Waarom?
Geen idee.
Goethe heeft jarenlang gewerkt aan zijn leer over de kleuren.
Hij schreef gevoelens toe aan kleuren.
Als je benauwd wordt, kom dat omdat je blauw ziet.
Maar het is niet de ziekte van Weimar.
Het boek van Kees 't Hart gaat helemaal niet over de gevoelens van de kleuren.
Het gaat over dat beeld.
De hoofdpersoon heeft een blokkendoosmodel bij zich van dat beeld.
Waarom staat er dan een kleurencirkel op de kaft?
En geen kubus en een bol?
Geen idee.
Franeker had een universiteit en daar moest ook een monument bij.
Zoals in Weimar.
Dus gaat er een delegatie met koetsen en paarden naar Weimar.
Op audiëntie bij Goethe om replicarecht te vragen.
Het is 1807, kort na de Slag bij Jena.
Europa vocht zich dood.
Chaos alom.
Er werd heftig geplunderd in de naam van vrijheid, gelijkheid en broederschap.
En dat was nog maar het opstapje naar de mislukte verovering van Rusland.
Daar was het lijden van de jonge Werther niks bij.
Maar is het de ziekte van Weimar?
In het boek gaat het over herenvocht dat zijn weg zoekt.
De jonge Werther had er ook last van.
Een angsthaas met vroegtijdige zaadlozingen.
Hij wil die geile gevoelens niet.
Ze staan de ware liefde in de weg.

Volgens Goethe zijn edele gevoelens oranjekleurig.
Het hoofd, de bol, heeft last van zijn drager, de kubus.
Maar is het de ziekte van Weimar?
Kan zijn.
Of is het de overdreven bewondering voor het genie in Weimar?
Het genie werkte meer dan twintig jaar aan een toneelstuk over een man die zijn ziel aan de duivel verkoopt.
Een middeleeuws motief.
Oude impotente man wordt verliefd op jonge vrouw. 
Hij ruilt zijn ziel in voor herwonnen liefdeslust.
Dat loopt verkeerd af.
De hoofdpersoon in 't Harts boek pikt een zwerfkind op dat met hem meereist, als was het zijn zoon.
De mannelijke variant van het Lolita-motief.
Eindelijk in Weimar aanbeland, geeft hij  het zwerfkind dat de taal van dieren verstaat, weg aan Goethe.
Goethe is niet meer geïnteresseerd in het beeld van de kubus en de bol, een vergeten pose.
Hij is geïntrigeerd door de kleine dierenfluisteraar en voegt hem toe aan zijn menagerie.
 
Goethe (Bron: De Volkskrant)
 Een verlichte geest die een slaafje houdt.
 Maar hij geeft geen toestemming voor het maken van een replica van het beeld.
 De hoofdpersoon en het teruggekomen zwerfkind trekken verder door Europa met een   indianencircus..
 Op de laatste bladzijde van het boek staat dat de hoofdpersoon spuugt op zijn houten bol en  kubus.
Is hij genezen van de ziekte van Weimar?
Geen idee.
In elk geval komt er in Franeker geen monument naar Goethes beeld.
We hebben nu wel een flink boek van 412 pagina's, zij het met grote letters.
Een merkwaardige roman van Kees 't Hart.
Er staan ook schaakpartijen in.
Zeer leerzaam en leesbaar dus.


zondag 30 juni 2019

In memoriam Wil Sterenborg



Stichting Tilburgse Taol onthult op 29 juni 2019 een gedenkplank voor Wil Sterenborg  in het Gedenkbos op de Spinder in Tilburg.





In NRC-Handelsblad van 15 juni 2019 staat een artikel n.a.v. het overlijden van Wil Sterenborg.

Onderstaande tekst [In memoriam Wil Sterenborg] is integraal gekopieerd van de website Neerlandistiek van Marc van Oostendorp.

Deze week [15 mei 2019 JM] overleed op 95-jarige leeftijd een ridder van het correcte Nederlands, de leeuw van het Tilburgs: Wil Sterenborg. Zijn naam zal niet heel veel mensen buiten Tilburg wat zeggen. Maar wie het nooit met hem aan de stok heeft gehad, heeft de afgelopen decennia waarschijnlijk nooit iets in het openbaar gezegd over taal.
Sterenborg was volgens het bericht dat het Brabants Dagblad aan hem wijdde, achtereenvolgens ‘conciërge, leraar Nederlands en conrector’ van het St. Odulphuslyceum in Tilburg. Het verhaal daarachter staat niet in de krant: Sterenborg had omdat hij ‘te kritisch’ was zelf nooit de middelbare school (een kleinseminarie) afgemaakt. Hij werd conciërge omdat hij van bijlesleerlingen hoorde dat dit baantje vrij was. Hij werd leraar omdat dit baantje vrij kwam en hij in zijn vrije tijd een MO-akte haalde. En zo groeide hij uiteindelijk ook in de conrectorsbaan.
Nadat hij op zijn zestigste pensioneerde, wierp hij zich vol overgave op het Tilburgs dialect, waarvoor hij de standaardspelling ontwierp; er zijn weinig of geen steden in Nederland die een zo algemeen geaccepteerde standaardspelling hebben als Tilburg). Het Woordenboek van de Tilburgse Taal, waaraan Sterenborg cruciale bijdragen leverde, staat sinds een aantal jaar online,
Hij raakte gaandeweg ook betrokken bij het Genootschap Onze Taal. De toenmalige directeur Peter Smulders was zo slim om hem binnen te halen. Sterenborg stuurde voortdurend brieven met correcties op artikelen in het tijdschrift van het genootschap en Smulders, zelf een Tilburger, wist hem ertoe te bewegen die correcties voortaan al in de kopij aan te brengen. Dat heeft hij jarenlang gedaan, zoals hij ook geruime tijd samen met Smulders de tekst van de Troonrede corrigeerde.
Ik heb het verschillende malen met Sterenborg te maken gehad; ik memoreer dat niet omdat ik denk dat dit nu zo belangrijk was in zijn leven, maar als voorbeeld van zijn persoonlijkheid. Eén hoofdstuk van mijn proefschrift gaat over de klinkers van het Tilburgs en bouwt dus voort op Sterenborgs werk. Hij was aanwezig bij de promotie en stuurde me na afloop een vriendelijk briefje dat bestond uit een lange opsomming van allerlei fouten die hij in mijn transcripties ontdekt meende te hebben.
Een paar jaar later ging ik bij Onze Taal werken. Een van mijn eerste taken was een kadertekst te schrijven over de harde en de zachte g. Nu zijn die termen dubbelzinnig. Ze kunnen verwijzen naar de plaats in de mond waar je die klanken maakt (voorin: zacht, achterin: hard) en in dat geval hebben zuiderlingen een zachte g en mensen uit noordelijker streken een harde. Of ze kunnen ook verwijzen naar het verschil tussen stemloze ch en stemloze g. In dat geval hebben zuiderlingen allebei de klanken, en noorderlingen meestal alleen de harde.
Ik ging in mijn tekst uit van de eerste definitie – ik denk nog steeds dat dit de meest gangbare is – en daarop schoof de redactie me een lange brief van Sterenborg voor die de kopij had gelezen en zich beklaagde dat de zuiderlingen weer eens ‘door het slijk werden gehaald’.

Ik denk dat Sterenborg ook heel veel van wat ik in de decennia erna heb geschreven met hoofdschudden moet hebben bezien, zoals hij het met veel schrijvers niet eens zal zijn geweest. Omgekeerd heb ik hem altijd bewonderd: iemand die zoveel overhad voor de taal.
Een iets andere versie van het verhaal van Sterenborgs carrière staat op de website van het Tilburgs Woordenboek.


2004


Op 29 april 2004 kreeg Wil Sterenborg (rechts op de foto) een koninklijke onderscheiding voor zijn bijdragen aan de Nederlandse taal. Achter hem staat Piet Smits, de drukker van het Tilburgs dialect boekje. In zijn rechterhand toont Sterenborg het Liber Amicorum dat hij ontving vlak voor de foto werd gemaakt. Op de foto op voorkant van dat vriendenboek staat hij zelf met dat Tilburgs dialectboekje in dezelfde rechterhand. 

donderdag 10 januari 2019

DEDOOIEKUNSTENAAR


Dedooiekunstenaar

Onsterfelijkheid is een gekoesterd begrip in de letterkundige geschiedenis; het hoort bij de theologie van het Woord. Wat gewone stervelingen rustig in hun begraafgrond moeten afwachten tot het aanbreken van de jongste dag, hebben schrijvers blijkbaar al bereikt: onsterfelijkheid dankzij papier en bibliotheken. Wie schrijft die blijft. Na vijf eeuwen drukpers weten we echter zo langzamerhand wel dat die onsterflijkheid vaak niets méér is dan een zielig hoopje verzurend papier dat in een stoffig magazijn op die ene lezer ligt te wachten die eens in de honderd jaar bereid is zijn leengeld te offeren op het bibliotheekgraf van de schrijver. Een muntje in de mond van de overledene, geld voor een overtocht naar een volgende eeuw.
[Vrij geciteerd naar: Waar ligt Poot? Over de dood en de laatste rustplaats van Nederlandse en Vlaamse schrijvers.]

Om de onsterfelijkheid een beetje te helpen, geven we straten en pleinen namen van schrijvers en schilders en we benoemen evengoed uitvinders, ontdekkers en voetballers. Ze staan op postzegels, gedenkplaten en soms versteend op een sokkel. Er worden biografieën geschreven, catalogi uitgegeven, beelden onthuld. Maar de praktijk wordt gedomineerd door de vergetelheid.
De vergetelheid.
In Amsterdam zijn er drie straten genoemd naar Jan Fredrik [met één e]  Helmers. Als Willem Frederik [met twee e’s] Hermans niet in de eerste van die straten was geboren en die straten, vaak met minachting noemt in zijn werk, zouden we niet weten dat hij met die ene e ook ooit schrijver was. Soms leeft je onsterflijkheid voort in het nageslacht. Wel eens gehoord van de toneelschrijver Johan Broedelet? Niet? Hij is geëcht als de vader van Wilhelmina van den Heuvel. Ook nooit van gehoord natuurlijk. Toch kennen de wat oudere tv-kijkers haar. Ze was het ‘mevrôhtje’ dat bezoek kreeg van twee oplichters, genaamd Jacobse en Van Es, die haar tuin winterklaar kwamen maken. Wilhelmina of Joekie Broedelet, was de moeder van Remco Campert. Ja, die Kampurt bestaat nog.
Maar de meesten onder de beroemdheden van weleer rest de vergetelheid. Al hun werken rusten in het graf van museumdepots of bibliotheken, soms verstoord door een overstroming, een brand of de verzuring. Van boeken kunnen we de teksten digitaal opslaan, mocht het boek vergaan dan blijven de teksten bestaan; ze gebruiken nauwelijks ruimte. Dat ligt met schilderijen anders. Een digitale foto is niet het verfwerk. Wat eenmaal verbrand of vergaan is, kan niet ongedaan gemaakt. Maar waar blijven al die overgebleven kunstwerken van minder bekende en vergeten kunstenaars? Wat doen we met hun erfenis?
Het bewaren van m.n. beeldende kunstwerken is een onmogelijke opgave, schrijft Caro Sicking in een toelichting bij haar uitnodiging voor een finissage van de tentoonstelling van ‘Dedooiekunstenaar’.

Inderdaad finissage is het tegenovergestelde van een vernissage. Het wordt een klein ludiek dingetje om de tentoonstelling ten grave te dragen, vanwege de thematiek ‘Dilemma der Erfgenamen’. Wat doen we met het oeuvre van de overleden kunstenaar? Dit issue speelt bij veel kinderen van beeldend kunstenaars. Daar komt bij dat musea, overheden en bedrijfsleven ontzamelen, kunst afstoten, om financiële redenen. 
Ik weet dat er letterlijk schilderijen staan weg te rotten in vochtige containers, omdat de nazaten niet weten wat ze ermee aan moeten.

Finissage, een ludiek en uniek saluut aan de vergetelheid, want meestal gaat het laatste restje onsterfelijkheid langs een ironische weg. Een straatnaam in een lelijke buurt, een oude spoorbrug bij Bommel, een eenvoudige doch voedzame maaltijd, een postzegel in een vergeten verzameling of een nikkelen muntje. Het kan met nog minder. De boerendichter Poot is onsterfelijk geworden met een verzonnen grafschrift van slechts zes woorden: Hier ligt Poot, Hij is dood. Het graf van deze ‘Gerusten Landman’ is nog te Delft beloopbaar en zijn gedichten digitaal beschikbaar, maar wie leest ze nog?
En waar is de sneeuw van vorig jaar?

[Tekst geschreven naar aanleiding van de finissage van het werk van Joost Sicking in De Speeldoos te Vught op 12 januari 2019]

donderdag 13 december 2018

KAFKA : BORGES = BUREAUCRATIE : INTERNET

Uitleg.

Kafka (uw bankrekeningen, pinbetalingen, polissen, postcode) maal internet (Google, Facebook)
is gelijk aan:
Borges (alle kennis) maal bureaucratie (procedures, regelgeving, registratie, algoritmes).
Ofwel:
De volstrekte opheffing van de publieke en de persoonlijke sfeer.
1984 (dat is een boek van George Orwell) is er niks bij.

Lees voor Borges: De oneindige bibliotheek van Babel ofwel de verzameling van alle kennis over alles en iedereen, alias het internet en al uw private gegoogel. Dan komt Kafka: een of ander door anonieme klerken bedacht regelgevingssysteem vol algoritmes, ofwel de totalitaire bureaucratie.
Kafka zelf verschrompelt hierbij vergeleken tot een kever.

Uw verzekering kijkt in uw pinbetalingen. U komt te vaak in de kroeg, dus bijbetalen. U drinkt alleen maar teveel theewater, belt u terug, Even een wachtmuziekje. Teveel is altijd te, zegt de computer.
U moet binnen kantooruren mailen met de afdeling gezonde voeding (sponsored by Tea Adventures). Intussen bestudeert een algoritme uw vakantiefilmpjes en familiefeestfoto's op facebook. Een optocht van vreterijen en drankgelagen.
U bent de pineut; maar dat was u toch al.
Ga toch beleggen in het Yellow Gilet High Dividend Fund.

dinsdag 4 december 2018

REMKO KAMPURT: TJEEMPIE



1968.

Een man met een lange witte baard komt aan op het Sentraal Stasjon. Er heeft zich een menigte verzameld wachtend op de komst van Klaas. Hij houdt een toespraak en zegt:'Hik.'

De REVOLUUTSIE is voltooid met de komst van Klaas en de menigte volgt hem de stad in met achterlating van spandoeken en borden. Op het stationsplein staat eenzaam de Best Gekapte Schrijver van Nederland. Eerder in het verhaal demonstreert hij aan Liesje (de hoofdperoon van Tjeempie) wat het verschil is tussen Het Zijn van de schrijver zelf  (de BGvN is de Filosoof van het Zijn in de Praktijk) en het Niet-Zijn bij Liesje. Het Niet-Zijn gaat hij opheffen door het te vullen met zijn Zijn, waardoor er een gloedvol Wel-Zijn ontstaat.


Vijftig jaar geleden publiceerde Remco Campert (alias Remko Kampurt) zijn satirische boek: Tjeempie of Liesje in Luiletterland. In 1976 maakte Joost Roelofsz er een 'prentenboek' van. (zie afbeelding). Hulde aan de niet meer schrijvende, maar nog laatst levende 'tiger' van de Vijftigers.

maandag 3 september 2018

De rechten van de mens


Ik wil het boek van Thomas Paine graag aanbevelen aan de president van de Verenigde Staten.


Op de illustratie wordt de opperrechter van het Hooggerechtshof van de VS getroffen door een stapel boeken (waaronder de Rechten van de mens natuurlijk) om hem aan zijn taak te herinneren. Hij dient de wet; niet de macht! Het gebeurde wel tweehonderd jaar geleden, maar de spotprent is evengoed van toepassing op onze Trumpiaanse wereld, waarin de president probeert het Hooggerechtshof naar zijn hand te zetten.

dinsdag 7 augustus 2018

Poekoel teroes!

Klanken van Oorsprong


Vanmiddag naar Cinecitta. Buiten heerst de heetste dag van het jaar, binnen is het heerlijk koel, maar niet voor lang, want we kijken naar de film 'Klanken van oorsprong', een documentaire van Hetty Naaijkens-Retel Helmrich over de opkomst van de Indo-(rock)muziek in Nederland. Vooral voor mijn generatie die begin jaren zestig met deze muziek kennis maakte en ging dansen: om tranen van in je ogen te krijgen. Een film die je ontroert en die je hart vol heimwee maakt. En een film voor iedereen die van muziek vol warmte houdt: indrukwekkend mooi.


Regisseur Hetty Naaijkens – Retel Helmrich (Buitenkampers, Contractpensions) toont in haar nieuwe documentaire Klanken van Oorsprong het verhaal van diverse artiesten met een Nederlands-Indische achtergrond. Samen met meer dan 350.000 andere Indische Nederlanders moesten zij tussen 1945 en 1962 gedwongen terug naar hun oorspronkelijke vaderland: Nederland.
Eenmaal in Nederland kregen Nederlands-Indische bands als “The Tielman Brothers” en “The Crazy Rockers” direct veel gehoor bij de dolenthousiaste Nederlandse jeugd die een grote honger had naar Rock ‘n roll muziek. Ook Nederlands-Indische zangers en zangeressen zoals Sandra Reemer, Liesbeth List en Boudewijn de Groot maakten veel furore. Anneke Grönloh en Ruud & Riem de Wolff (The Blue Diamonds) verwierven zelfs enorme internationale roem, net als de naar de VS geëmigreerde broers Eddie en Alex van Halen.
Hoewel al deze muzikanten erg van elkaar verschillen, hebben ze veel dingen gemeen. Allereerst hun geschiedenis van oorlog, vluchten, opnieuw beginnen in een vreemd land en aanpassen. Daarnaast de muziek als grootste uitlaatklep.