zaterdag 18 november 2017

VENTINOVELA [of] VENTILA




De Ventinovela [spreek uit: vent-ie-no-vee-là] is als taaluiting een uitlaatklep, een uitspraak om je hart te luchten. Deze nieuwe stijlfiguur kent een aantal regels.
De ventinovela is een nieuwtje en heeft de lengte van een ventinove; ze is dus niet langer dan negenentwintig woorden en ze is als kort verhaaltje zo luchtig als een lichte lentebries. Bovendien moet ze grappig zijn. Dat kan door ironie en satire, niet door cynisme, niet door te schelden of te dreigen. De klep hoeft niet wijd open, de lucht mag wel kruidig zijn, maar niet vuig. En de ventinovela is een stijloefening. Vlot, luchtig en bloemrijk tegelijk. Stijlvol, niet stijlloos. Ze is de tegenpool van de twiet. Terwijl de twiet gelijk een excrement ontstaat in de onderbuik en via het darmkanaal wordt uitgedrukt in de cloaca die 'Geen Stijl' heet, is de ventinovela als de lentelucht, die ons allen verkwikt, verfrist en verlicht. En als een tulpveld dat met zijn schoonheid onze ogen en ons gemoed troost. Je mag de ventonovela voor het gemak ook ventila.noemen.
Ook grappige en woordspelige uitspraken behoren tot de venti(nove)la, want ze kunnen als een ventiel een gespannen of drukkende stemming doen omslaan in opluchting en ontspanning.
Dus schrijf voortaan een ventila in plaats van een twiet, een twat, een kwets of een kwat.


zaterdag 2 september 2017

BOEKEN UIT DE DOEKEN

Boeken uit de doeken, Biblioconologische schetsen.

De stichting dr. P.J. Cools MSC viert dit jaar haar vierde lustrum en organiseert voor de 20e keer de boekenmarkt 'Boeken rond het Paleis' van Willem II in Tilburg.. Ter gelegenheid daarvan gaf de Stichting een boek uit over boeken op schilderijen. Op de linkerpagina het doek en op de rechterpagina een schets waarin het doek en het boek worden beschreven. In totaal 36 doeken en artikelen, geschreven door Martin Hulsenboom en Peter IJsenbrant en met een voorwoord over het voowoord van Norbert de Vries.
Het is een prachtig uitgegeven boek geworden, een boek voor bibliofielen.




Dit staat op de achterkant:

"Dragen antiquaren hoorntjes? Waarin faalde Darwin? Wat hebben Hugo de Groot en Casanova gemeen? Waarom is de HSL funest voor de Russen? Wat voor boek dien je bij je te hebben op de Dag des Oordeels? Wat hebben boeken en inbraakpreventie met elkaar te maken? Waar drukt men zonder inkt? Het antwoord op deze vragen vind je in Boeken uit de doeken, een rijk geïllustreerde verzameling beschouwingen over het boek. Al eeuwenlang wordt er gelezen en al eeuwenlang wordt het boek afgebeeld op tekeningen en schilderijen. Soms met een diepere betekenis, vaker vooral als de verbeelding van een aangenaam tijdverdrijf.

De auteurs Martin Hulsenboom en Peter IJsenbrant, oud-bestuursleden van de Stichting dr. P.J. Cools msc, hebben in deze uitgave een fraaie verzameling van schilderijen rondom het boek bijeengebracht. Op veel van de in deze uitgave opgenomen schilderijen hebben de personages geconcentreerde aandacht voor hun lectuur: lezen als kunst van het genieten. Het boek als betekenisdrager en verschijnsel in de beeldende kunst. De auteurs hebben de werken voorzien van zowel verhelderende als luchtige beschouwingen waarmee zij de lezer een verrassende kijk op de kunstwerken bieden."

En van wat er op de achterkant staat, is geen woord gelogen. Een verkoopargument zonder overdrijving. Neem het boek in handen, ruik er aan, kijk er in, proef en lees: beeldrijke ogenstroost en inspirerend hersenvoer voor de biblioconoloog, dus voor iedereen die van beeld en boeken houdt. 

dinsdag 25 juli 2017

ANTIPATHIEKE ROMANPERSONAGES - DEEL 2


2. De revolte

Het meest belangrijke aspect van de revolte, niet van de revolutie, al staat dat woord bij Trolsky wel in de ondertitel, kwam uit de schaduw van de tweede wereldoorlog. En die revolte lag vooral in de opstand tegen het gezag; het gezag dat gezag was omdat het gezag was. De nazitijd was de achtergrond; zegt iedereen; maar het was niet de nazitijd, maar het passieve gedrag tijdens en na de oorlog van de generatie die de babyboomers verwekte. Toen zij hun pubers moesten opvoeden in de jaren na de oorlog, was er het militarisme, de oorlog in Vietnam, de hiërarchie in de kerk, toen was alles (bijna) weer als voor de oorlog. De jaren ‘45 tot’ 60 waren restauratief. Vergeten en verder gaan. ‘Wat deden jullie in de oorlog?’ was onze vraag. ‘Niks,’ was het antwoord, ‘niks; liggen wachten en soms bibberen.’ En wij, moeten wij dan ook liggen wachten en bibberen? Ja; gehoorzaamheid. Op kamers wonen? Wat denk je wel. Ondankbaar geval. Mikkers woonde niet op kamers, maar bij zijn ouders thuis.
In het leger was het fundament: tucht. Tucht was de ziel van de krijgsmacht. Iets geleerd van de gevolgen van kadaverdiscipline? Van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid? De marechaussee pikte je thuis op als je weg bleef, als je genoeg had van de domme tucht met uitspraken van de commandant als ‘de enige die hier denkt, dat ben ik’, en ‘dus hoef jij niet te denken, dat doen wij wel voor jullie.’ Ik dacht eerst dat dit een grapje was, ironie, maar ze meenden het. Sterker: het was de ideologie.
Het boek De zaak 40/61 van Harry Mulisch was voor mij de eye-opener. Eichmann, de logistieke baas van de uitroeiing van de joden, zei niet schuldig te zijn. Waarom niet? Omdat hij al als kind al op de kleuterschool geoefend was in gehoorzaamheid. Hij ging school bij de Jezuïeten. Ongehoorzaamheid werd niet uitgelegd als een drang om te weten, maar een reden om dat geweten te dwingen. In Tilburg en overal daarbuiten was dat de norm – gehoorzamen – ik heb het vaak niet gedaan, dus altijd klappen gekregen en ik ging naar Amsterdam. Daar stond het beeldje van een lieverdje; dat wil zeggen een rotventje. Dat is mijn personage. Het hoofdpersonage in het boek kent de wereld nog niet; hij is nieuwsgierig, maar ook vol wantrouwen. Hij is zoals heel veel romanpersonages in die tijd: op zijn hoede. Met één been staat hij in de controlemaatschappij van oude regels en normen en het andere been poedelt in de nieuwe wereld. Een Gomorra vol vrijgevochten meiden, een stad die sist van de seks, van politiegeweld, bevolkt wordt door sarcastische humoristen. Maar hij is geen journalist, slechts een hongerig persoon; verlangend maar ook kwetsbaar, uit een kerkelijk Jezuïtisch milieu. Cynisme is zijn kracht. Ironie zijn wapen.

De commerciële kritiek maakt van een verhaalpersonage een persoon en van die persoon een autobiografische vervalsing van de schrijver. Jan Wolkers deed ‘het’ met elk model. Elsschot was een geslepen zakenman. Je ziet dit ook bij films; in recensies staat niet de naam van het filmpersonage, maar de naam van de acteur. Bill Murray hoort dat hij een kind heeft, luidt de aankondiging van een film. Men zegt dat Mulisch de hemel ontdekt heeft, maar dat is een mythe bedacht door de schrijver zelf; Mulisch heeft wel de hel ontdekt. Dat deed hij niet als romanschrijver, maar als journalist en die hel heette Auschwitz en de duivel Eichmann.
Met authentiek bedoel ik niet: ‘waar’. Authentiek betekent dat alles wat in het verhaal gebeurt, ergens ooit wel zo echt gebeurd is. Er waren studenten die aan de BVD inlichtingen doorgaven over actievoerende studenten; er was een schaduwadministratie van staatsgevaarlijke subjecten; er waren geheime leden van de CPN omdat hun ouders dat niet mochten weten. Er werd geld betaald door Moskou voor de zogenaamde internationale uitwisseling van studenten. Leiders van de Studenten Vak Bond maakten gratis reisjes in het Oostblok, waar ze werden geïnstrueerd in het marxistisch gedachtegoed. Wie het niet gelooft, zoeke het na. Men weet veel van horen zeggen. In de krant is dat een bron van waarheid; in een roman een modderpoel. Dat moet zo in een roman. Als er al iets ontdekt wordt, is het zeker niet de hemel, maar de moedwil en het misverstand. In die situatie verkeren de personages. Ze denken dat ze een en ander weten, maar eigenlijk weten ze bitter weinig. Daar zijn ze juist personages voor. In die zin is dat de kern van de authenticiteit, dat tasten in halfduister. Voor de waarheid, die in een dossierkast past, hebben we journalisten en historici.
“De literatuur,” schrijft Hermans, “heeft een andere functie. De romanschrijver, beschrijft niet de werkelijkheid, maar schept een persoonlijke mythologie en hij doet dit, in tegenstelling tot de realist, doelbewust. Zijn helden zijn geen ‘mensen van vlees en bloed’ maar personificaties, hij kan ze naar willekeur vermommen. Hij heeft niets te maken met ‘realiteiten’ of met ‘de mogelijkheden’ zoals politici of journalisten. Hij heeft niets te maken met de vraag of zijn denkbeelden wenselijk zijn uit oogpunt van geestelijke volkshygiëne, zoals predikanten en zielzorgers.” Aldus Hermans.
Een schrijver probeert iets te ondernemen tegen de sterfelijkheid. Hij schept zich een bedenksel. Een lokaas is de roman, de lezer bijt in een gemene haak. Of wat Kafka zei: ‘Boeken moeten als een bijl zijn die het ijs van ons bewustzijn splijt’.
Wat wij in ons leven doen, is een illusie. Een komedie en een tragedie ineen. Toen ik school ging was daar de ernst. “Ernst was,” zegt Hermans, “voor de oude schrijvers het leven na dit leven, het hiernamaals. Het strikt logische, wat zich aan de regels houdt. Wat goed is voor de wiskunde en de natuurkunde.” Ernst was de donkerte in de school. De angst de straf, de tucht. En daar ontdekte ik het toneel: het idee dat het leven een spel kan zijn en later tijdens de studie Nederlands, dat zelfs de ernstige Huizinga de Homo Ludens ontdekte.
In de jaren zestig kwam er licht; niet zozeer in de bedompte studentenflats; of onder het zwarte zeil in jeugdhonk Posjet waar de seksuele revolutie plaatsgreep. Maar toch, daar was die vreemde revolutie of beter de revolte alias de lieve-r-evolutie; in de vieze huizen en gore plekken; met de geur van ongewassen lijven en altijd spaghetti met tomatenprut. En er werd gezongen en gefeest en gediscussieerd tot het morgenrood. Een beetje nieuw Babylon in Tilburg en in Nijmegen en in Amsterdam en de bijbehorende spraakverwarring. Want nog altijd wordt er getwist over de al dan niet vermeende verdiensten van de soixante-huitards en meningen pro- en contra verkocht, afhankelijk van de krant die men leest of het medium dat ons wat voortovert.

De kritiek struikelt over een antipathiek romanpersonage en kijkt de schrijver aan op dit mispunt. Maar soms trapt de criticus in de val en heeft hij niet gemerkt dat hij een persiflage leest. Dat zowat alle dialogen in Werklust uit citaten bestaan. Dat dit boek stikt van intertekstualiteit. Een vorm van incest onder teksten.
Vincent Haman heet de hoofdpersoon. Deze naam is ontleend aan een boek van Wouter Paap die daarmee liet zien dat één van de grootste schrijvers uit de generatie van de Tachtigers [rond 1900 deden zij van zich spreken] een blaaskaak en hooghartige ijdeltuit was. Zijn naam was Lodewijk van Deijssel. Zijn onsterflijkheid werd gevestigd toen hij en een paar vrienden een gedicht in elkaar flansten dat helemaal in de fondantmousseline sfeer van het Fin de siècle was gedrenkt en dat Julia heette. Het misbaksel werd door de kritiek bejubeld als een origineel product. Toen schreven Van Deijssel en zijn vrienden een vlammende brochure waarin de competentie van de literaire kritiek werd gehekeld. De kritiek bleek niet in staat kitsch van kunst te onderscheiden. Karel, de broer van Gerard (van het) Reve (ook een schrijver van zeer antipathieke romanpersonages), toonde ruim een halve eeuw later nog eens aan dat de kritiek niet kan aanwijzen waarom zij bevoegd zou zijn. Vincent Haman bestaat niet; hij is een citatenbouwsel. Dit romanpersonage is zeker antipathiek, maar vooral gemaakt van gestolen taal. Hij is een taaldaad.
O ja, dat boek van Mikkers is toch net een roman; want die Fedde is ook maar een verzonnen journalist; zoals al die andere boekfiguren. Ze zijn taalconstructies. Ze dolen altoos door de wereld met een rad van fortuin in hun achterhoofd en een kapot kompas in hun hart op zoek naar waarheid en geluk. Misschien vinden ze een scherfje. De schrijver die hen bedenkt, moet wel een mispunt zijn.
Over de onbevoegdheid van de literaire kritiek gesproken.

Besproken boeken:
Tymen Trolsky, Karl Marx universiteit. Roman over een revolutie. Uitgeverij Aspekt, 2009.
Joannes Maas, Werklust ’69, Een meimaand straatrumoer in Amsterdam. 2009. Uitgeverij Free Musketeers, 2009. Bestelbaar op internet.


dinsdag 18 juli 2017

ANTIPATHIEKE (ROMAN-)PERSONAGES - Deel 1


Antipathieke personages

1. Personages

In 1960 schreef Willem Frederik Hermans een essay getiteld Antipathieke romanpersonages. Er zijn veel onsympathieke personages. Ook onder schrijvers.
In dit essay maakt Hermans onderscheid tussen twee soorten schrijvers: journalisten en romanschrijvers.
Journalisten doen verslag; ze vertellen ons wat er ergens gebeurd is, bijvoorbeeld over mensen die universiteiten bezetten en anderen die de bezetters er weer uit moeten slaan. Zo heeft iedereen wat omhanden in deze wereld. Vindt de journalist een bezetter sympathiek, dan schrijft hij voor De Waarheid; vindt de journalist de bezetter antipathiek dan schrijft hij dat in De Telegraaf. Zo’n journalist heeft geen geweten, maar een baas die zijn inkt betaalt.
Een romanschrijver bedient zich van personages. Deze kunnen sympathiek of antipathiek zijn, maar dat hangt niet zozeer af van de baas van de schrijver; hij heeft geen baas. Als hij wel een baas heeft die hem vertelt waarover hij moet schrijven, dan is hij geen schrijver maar een letterknecht.
In het najaar van 2009 verschenen twee romans die allebei handelen over de studentenacties in het jaar 1969. De ene gaat over de Amsterdamse bezetters en de andere over de Tilburgers. Er zitten opvallend veel overeenkomsten in beide boeken als het gaat over het decennium van de provo en de boze student. De wiet, de vrije liefde en all that jazz, nou ja rock and roll dan, met die in detail beschreven vuile studentenkeukens, de onsmakelijke seks, het pseudomarxistisch gedram en de zwarte drankholen; kortom het tijdsbeeld van de revolte van de jaren zestig. De verschillen springen evengoed in het oog.
De hoofdpersoon-verteller in de roman van Tymen Trolsky [Jasper Mikkers] met de titel Karl Marx Universiteit is ene Fedde Reephof. Hij is geen student, maar, jawel, journalist. Anders gezegd: het perspectief van deze roman ligt bij een één generatie oudere letterknecht van het Tilburgse dagblad Het Nieuwsblad van het Zuiden. Hij wordt door zijn werk - het verslaan van studentenacties en door het lot van zijn zoon die bij de studentenopstand in 1968 half comateus is geslagen door de Parijse politie en via de seks met studente Nicole in de leefwereld van de bewoners van de studentenflats aan de Tilburgse Verbernelaan de revolte ingezogen. Dan worden zijn verslagen ook nog eens gecorrigeerd door een oud-militair, want de krant dient niet de burger maar de fabrikant en de pastoor. Maar toch: Fedde gaat iets begrijpen. Hij wil geen letterknecht meer zijn, maar deelnemer.
Hoe dat allemaal verloopt, kunt u beter zelf lezen. Het is een goed gedocumenteerd boek over de Tilburgse universitaire wereld en de studentencafés in de roerige jaren zestig, maar het boek is – en dat komt merkwaardig genoeg juist door de keuze van de schrijver, geen roman met sym- of antipathieke personages, maar een tijdsdocument; een geschiedenis in romanvorm met een allegaartje aan figuranten, gebaseerd op verifieerbare personen die soms met hun echte naam - professor zus en zo - en soms met een doorzichtig pseudoniem worden aangegeven. Zo is er ene Ewoud die met zijn woeste Bakoeninbaard herkenbaar is als Albert Siebelink, die op 20 mei 1969 met een paar maten, student of niet, onmiddellijk de fabrieksstad in het zuiden des lands verliet, om het Maagdenhuis in Amsterdam te gaan bezetten. Dat gebouw werd al door de politie belegerd, daarom moesten ze over een tien meter hoge ladderbrug van de aula naar het Maagdenhuis klauteren. De strijd en de solidariteit kenden geen hoogtevrees.

Anders gezegd: de roman van Trolsky is geen roman, maar een journalistiek werk – in de dreinerige betekenis van Willem Frederik Hermans. De schrijver zelf heeft lang geweifeld of hij de schrijversnaam Trolsky of zijn eigen naam Mikkers zou gebruiken. De laatste zinnen van het boek geven dit aan: “Zou hij [Fedde zelf, onze journalist] ooit kunnen vertellen wat hij had meegemaakt in het afgelopen jaar? Hij dacht van niet. Misschien in de vorm van een roman. En onder pseudoniem. […] Maar in het geval dat …hij de roman zou schrijven. Hij wist welk pseudoniem hij zou gebruiken.” Dus Fedde incarneert in Trolsky of andersom. Einde boek.

U ziet; er opent zich een vallei van perspectieven. De verteller, een journalist, is ene Fedde; onze schrijver heet Jasper Mikkers en het boek moest onder pseudoniem uitgegeven. Maar Mikkers had geen keus aan pseudoniemen: het kon Trolsky zijn, zijn oude nom de plume, of Mikkers. Maar Mikkers, die meneer met zijn roodpaarse jasje, zijn krullende lokken en zijn fraaie kat, moet staan voor de authenticiteit, niet voor de fictie; hij wil niet instaan voor die Fedde, maar voor een romanschrijver. Het boek mocht geen sleutelroman zijn. En dat is erg moeilijk als voortdurend de hele incrowd van Tilburgse regenten en studenten je voor de voeten loopt. De grote verdienste van dit boek is dat zorgvuldig in kaart is gebracht hoe dat revolutiejaar –van mei 1968 Parijs tot begin juni 1969 Tilburg - verliep. Door te kiezen voor een journalist kon Mikkers binnenkijken in – vaak letterlijk – allerlei keukens van de tijd – maar het boek is meer een tijdsdocument dat vanuit een slimme invalshoek een blik biedt op die tijd; een boek dat elke Tilburger moet lezen, al was alleen al om de cynische blik op de plannen van Cees de Sloper om de hele binnenstad af te breken en er brede verkeerswegen aan te leggen voor een toekomstige stad van vierhonderdduizend bewoners. Of neem de beschrijving van studentenkamers bij Tilburgse hospita’s, met hun typische Tilburgse manier van praten. Kostelijk.
Je kunt heel goed zien dat Mikkers in zijn boek een panorama, een tijdsbeeld, wil maken; hij heeft er 83 hoofdstukken voor nodig. Literair niet van grote schoonheid; journalistiek van een hoog gehalte. Iemand moet het doen, zegt men, Jasper Mikkers heeft het gedaan. En goed gedaan.

Dan verscheen er tegelijkertijd, ‘dat kan geen toeval zijn’, schreef Willem van de Vrande in Leydraden (het blad van de Literaire Kring) - een roman van Joannes Maas over een meimaand straatrumoer in Amsterdam 1969: Werklust ’69.
Dit boek is allesbehalve een journalistiek verslag. De bezetting van het Maagdenhuis en het leven op straat is nauwelijks – zij het met terzijdes - ingebed in achtergronden. Wat er voor 1 mei 1969 gebeurde en wat er na 1 juni gebeurde, bijvoorbeeld bij de maagdenhuis-processen wordt niet verteld. De actie valt rauw op het dak. Op de eerste bladzijde slaat de politie onschuldige passanten in elkaar en het boek eindigt met een kater (en een kat). De hoofdpersoon is geen journalist; maar een loner, die als werkstudent gegevens verzamelt voor de inlichtingendienst - welke dienst precies, is niet duidelijk. Hij rommelt wat in de maagdenhuisarchieven, smokkelt dossiers weg en brengt er vervalste voor terug; vindt al die vermarxing van de studieacties maar niks; twijfelt aan alles en iedereen en is voortdurend, hoewel hij zo mager is als een lat, hongerig, niet alleen naar Broodje van Kootje maar vooral naar seks. Dat gaat er dan meestal nogal onsmakelijk aan toe. Friettenten en studentenhuizen zijn vooral vies, vet en vunzig. Er loopt geen onderzoeksjournalist rond, maar een januskop met broeierige bedoelingen en valse bezigheden. Een onaangenaam mens, een bleke kwal, een mispunt. Kortom een antipathiek romanpersonage.
Hier ligt duidelijk het verschil tussen Trolsky en Maas.
Trolsky twijfelt over zijn personage, terwijl bij Maas geen twijfel is; een mispunt. Mikkers zit in zijn maag met zijn fictie; hij roept: ik schrijf een roman; maar het is geen sleutelroman. Bij de presentatie van zijn boek in Salon Seize (theaterfoyerzaaltje in Tilburg) ging hij uitdrukkelijk in op deze keuze: ik wilde een roman schrijven, terwijl de interviewer (Frans Godfroy) herhaaldelijk benadrukte dat het boek zo doorzichtig is als de glaspuien van de universiteit: daar loopt die, dat is die. Trouwens voor zover de zaal vol zat, zat zij vol met de beschreven personages.
Bij Maas is dat complexer. Zijn boek is heel strikt vanuit een wat autistische ik-figuur geschreven; een bedenksel, een fictief mens, een vehikel, evenals Fedde. Maar Maas maakt er ook geen geheim van dat de gebeurtenissen in het boek authentiek zijn. Authentiek, wat is dat? Ja, alles wat gebeurt, is gebeurd, maar op totaal verschillende tijden en plaatsen – dat staat in een toelichting op de achterflap: de verbeelding moest een handje helpen, net als bij Mikkers. Zonder verbeelding zijn er alleen losse feiten (Daadzaken, zegt Wittgenstein). Maar waarheid? Een nep soort waarheid.
De kritiek maakt altijd dezelfde fout - de studenten letterkunde worden er voortdurend op gewezen, vooral bij een roman met het ik-perspectief - en dat is dat wat het hoofdpersonage doet, beleeft en denkt - hetzelfde zou zijn als wat de schrijver deed, beleefde en dacht. Voor de kritiek en zeker voor het grote publiek valt de schrijver samen met de verteller.
“De sympathie of antipathie die de romanfiguren opwekken, blijft zelden of nooit tot deze figuren beperkt, maar gaat zich uitstrekken tot de schrijver van de roman, zelfs al komt deze laatste in het boek helemaal niet voor,” schrijft Hermans in zijn essay. De schrijver van Werklust – in het echte leven docent aan één van onze elitaire scholen - ziet niets in die marxistische idealen, doet onaangenaam tegen argeloze mensen, zeikt lieve meisjes af omdat ze varkensoogjes hebben; niemand deugt of is wel gemanipuleerd, etc. Moeten we zo’n persoon onze kinderen laten lesgeven? Een mispunt voor de klas, dat van die boeken behandelt waar leerlingen van moeten bulken.
Wat zegt Hermans nog meer. “Overigens heeft de sympathie of antipathie die een romanpersonage opwekt, niets uit te staan met de naar algemene erkende maatstaven gemeten deugd of ondeugd die hij tentoonspreidt of met de mate waarin hij de algemeen verbreide geconditioneerde reflexen blijkt te delen. Hij kan elke nacht een moord plegen.”
Ciske de Rat mag zijn moeder vermoorden. Hij krijgt ons mededogen, want zijn moeder is een loeder. James Bond neukt elke spionne, mits knap genoeg, schiet pardoes alle boeven af, knalt hele eilanden de lucht in, trekt zich niks aan van de wet en dat zonder smet op zijn onberispelijk kostuum. Kortom een held. Immens populair. Een zeer sympathiek romanpersonage. Prins Bernhard was er bevriend mee. Met Fleming bedoel ik, Bonds schepper. Mogen wij dan ons moeder vermoorden; zijn wij liscensed to kill?
Waarom wemelt de literatuur van antipathieke personages?
Madame Bovary, c’est moi, zei Flaubert. Dat was natuurlijk een provocatie. Was Flaubert een hysterische verbeeldingszieke schizofrene lustvolle vrouw? Nee, Flaubert zat de hele dag aan een bureau in een bedompte kamer naar een opgezette papegaai te kijken. Hij ging zeker niet naar een modesalon om een jurk te passen.
“Het beoordelen van handelingen, van daden, eist van de kant van de lezer oordeelskracht; maar in de mondelinge uitingen van de romanhelden is dikwijls een beoordeling al verwerkt. Niets is daarin zo moeilijk als een romanfiguur te laten zeggen dat door de schrijver ironisch bedoeld is, niets schept zoveel misverstand;” vervolgt Willem Frederik Hermans.
Mikkers heeft ervoor gekozen zijn personage achter een journalist te verstoppen, eentje met een schuldgevoel omdat hij zijn zoon heeft verwaarloosd. Hij moet en wil hetzelfde ondergaan, in coma gelagen worden. Het personage in Werklust verstopt zich achter citaten. Als iemand zegt: ‘Doe niet zo gek’, dan citeert hij Shakespeare: ‘Ik ben alleen gek bij noordoostenwind.’ Hij kiest geen partij, hij is een opportunist. Hij maakt een liefje belachelijk door haar uit haar varkensoogjes te laten huilen; maar ergens in het boek staat verstopt dat hij haar heel leuk vindt. In het boek zitten voortdurend tekstflarden uit liedjes en verhalen, de vertolking van het levensgevoel van die tijd. A splendid time is guarenteed for all. Iets wat Trolsky ook goed doet – voedsel proeven, geuren opsnuiven, huid betasten, muziek beluisteren, ogen troosten, kortom zintuigen laten werken, niet alleen dat intellect, dat hinderlijke denken dat je voortdurend doet twijfelen, weifelen; maar afgaan op je gevoel en intuïtie –de mix van zinnen en instinct – waarmee de jaren zestig inging tegen de regels, tegen de brave plicht; tegen wat hoort. Geen revolutie (van die muffe neomarxisten), maar de revolte.
 (De revolte, in deel 2: het vervolg)


dinsdag 11 juli 2017

DE ZEVEN FUNCTIES VAN DE TAAL

Taalfuncties

Met de taal beschrijven we de wereld. Adam, de eerste mens, ging er op uit om de dieren namen  te geven; hij ging de wereld talig maken. Maar de taal is een middel; ze is niet het ding zelf. Toch is zij bij uitstek het middel om de wereld te begrijpen en de ander de wereld te tonen. Dat gaat nooit perfect, ook al wil je de volledigheid van de wereld benoemen, zoals de dichter Lucebert zei. Het blijft behelpen. We doen er een enkele jaren over om te leren spreken. Eerst met losse woorden (het woordenpakket) en dan met zinnen (de structurering).. Eerst het makkelijke, dan het moeilijke. En hoe beter je het probeert uit te leggen, hoe moeilijker je uit je woorden komt.

Nu in de taal van de filologie.

De taal werkt via twee assen.[1]  Deze assen zijn:  de y-as van het paradigma en de x-as van het syntagma.
Op de y-as ligt de woordenschat, de woordkeuze.
Op de x-as ligt de ordening, de syntaxis, dus hoe de woorden gestructureerd worden.

Een vergelijking (metafoor) kan dit misschien verduidelijken. De as van het paradigma doet een beroep op onze harde schijf (het woordgeheugen) en de as van het syntagma op de processor die de gegevens organiseert voor een bepaald doel.

Als X=0 en Y=0 dan gebeurt er niets. De communicatiedoos of de bedrading ervan zijn stuk.
Als X en Y allebei richting oneindig gaan, dan slaan de stoppen door of er ontstaat wartaal.

De taal functioneert alleen als er sprake is van communicatie. We onderscheiden daarin volgens het eenvoudigste principe: de zender, de boodschap en de ontvanger. Maar voor het begrijpen van de intentie of de interpretatie van de boodschap moeten we ook kijken naar de context, het medium en de code. Bij de keuze van het medium (het communicatiekanaal) en de toepassing van de code (omgangstaal, ironie, beeldspraak) is ook van belang dat de ontvanger dat kanaal en die code (her)kent. Een rouwbrief is een ander medium dat een twitterbericht. Ironisch getint taalgebruik past niet in een rouwbrief, wel in een kattebelletje.

Een voorbeeld: een kennis (de zender) mailt aan zijn vriend (de ontvanger) dat hij gehoord heeft dat een wederzijdse vriend gaat trouwen (de boodschap). Dan de context: het milieu (van de vrienden) waarin het huwelijk als passé beschouwd wordt; het medium of channel: een emailbericht (informeel) en de code: een bepaalde stijl die als ironisch/sarcastisch gekenmerkt kan worden. Met andere woorden: de intentie is dat de zender het huwelijk als burgerlijk instituut (dus niet de relatie op zich) afkeurt. De vraag is of de ontvanger dat ook zo begrijpt. Misschien is die wel jaloers op de bruidegom of opgelucht dat hij van zijn ex (de bruid) af is. Er is altijd een verschil tussen de intentie van de zender en de interpretatie bij de ontvanger. In ernstige gevallen leidt het tot fatale misverstanden, zoals Ovidius schrijft in zijn tragische verhaal over Pyramus en Thisbe en William Shakespeare in Romeo en Julia.




Uitgaande van dit schema definieert de taalfilosoof Jakobson zes functies van de taal.

  1. De referentiële functie; de meest gebruikte en dagelijkse functie van de taal, nl. de informatie - overdracht binnen een bepaalde context. Luisteren, spreken, lezen en studeren, communiceren, nieuwtjes uitwisselen. ‘De buurman moet naar het ziekenhuis voor zijn knie.' 'O, wat is daarmee?' 'Meniscus gescheurd,' etc.
  2. De poëtische functie van de taal of de taal als esthetisch middel. Het spel met klank en ritme, de taal van gedichten, krantenkoppen en slogans. Taalkunst.
  3. De emotieve of expressieve functie; deze slaat vooral op de zender, die zijn gevoelens weergeeft. Hij zegt bijvoorbeeld: 'O, ja, meniscus, heb ik zelf ook gehad. Pijn, man, pijn gehad.' Het is dus de functie van het ‘ik’.
  4. De conatieve functie is de functie van het ‘jij’. Het is de functie gericht op de ontvanger. Vaak dus in de gebiedende wijs (imperatief) en de vocatief. “Eet je soep op!
  5. De fatische functie is de functie die de communicatie ziet als doel in zichzelf, een verkenning, zoals een groet (zonder verdere communicatie) of een vraag als: 'Hoe gaat het?' waarop niet geantwoord hoeft te worden. Daarna kan er - als het contact klikt - informatie uitgewisseld worden. Het kan bij voorbeeld beginnen in de kroeg. Je checkt eerst of je elkaar 'verstaat', of je op hetzelfde begripsniveau zit. Als dat blijkt, kun je overschakelen naar de referentiële vorm.
  6. De metatalige functie dient om na te gaan of zender en ontvanger elkaars taal begrijpen, of ze in dezelfde code communiceren. Het gaat om taal benaderen met de taal zelf, zoals het leren van een andere taal; etymologische overeenkomsten ontdekken; het gebruik van een woordenboek.
Dat maakt zes.
Zes functies van de taal die elkaar deels overlappen.

En die zevende functie dan in de kop van dit artikel? Zeven functies doen het beter. Zeven, het enige echte magische priemgetal. Niet zes hoofdzonden of zes dwergen, maar zeven. Dan moet de zevende functie, de magische of anagogische functie zijn, zoals de bezwering, waarvan het mechanisme kan worden begrepen als het over tijd en afstand heen communiceren, zonder technisch medium. Het kan dan gaan tussen machten, voorwerpen of een derde persoon, afwezig of levenloos, die als een  medium een boodschap doorgeeft aan de ontvanger. Bijvoorbeeld een astroloog die in de sterren leest dat een Kreeft vaak piekert omdat hij of zij problemen van opzij benadert, of een bevel van God aan de hemelichamen: ‘Zon sta stil te Gibeon en gij maan in het dal van Ajalon. En de zon stond stil en de maan bleef staan.’ (Jozua 10:12). Het bekendste voorbeeld komt uit de katholieke geloofsleer. De leer van de transsubtantie. Bij de zegening van brood en wijn met de woorden: 'Dit is het lichaam' en 'Dit is het bloed van Jezus Christus' veranderen die substanties (wijn en brood) in een geloofswaarheid, lichaam en bloed. We komen dan in de wereld van het wonder.

Maar is dit wel een z(w)evende functie van de taal; de mystieke, magische en anagogische functie, de bezwering en de vervloeking? Zijn ze niet typisch voor de literatuur (de mythe, het sprookje) en horen ze dus bij de tweede of derde functie? Wat is een gedicht: een taalexcursie. Een roman: woorden over een mogelijkheid van leven. De apocalyps: een visioen in poëtische taal.
Zes functies maar.

Iets andere weergave van de taalfuncties volgens Wikipedia.

1.     referentieel - het overdragen van informatie over de wereld om ons heen
2.     poëtisch - het uitdrukken van de schoonheid van de taal zelf
3.     emotief - het uitdrukken van (de gevoelens van) de spreker
4.     conatief - het veroorzaken van handelingen bij de luisteraar (bijvoorbeeld door middel van een bevel)
5.     fatisch - het controleren van het spraakkanaal zelf ('hoort u mij?')
6.     metatalig - het spreken over de taal zelf ('wat was dat laatste woord?')
Deze lijst wordt nog altijd beschouwd als het meest bruikbare overzicht van functies van taal
[Voor de Engelse termen, zie voetnoot [i]]

Samengevat.
Een zender codeert een boodschap in een code. Hij stuurt die intentioneel via een medium (channel) naar een ontvanger die de boodschap decodeert. De boodschap moet een context hebben waarnaar verwezen kan worden en die begrijpelijk is voor de ontvanger (de ontvanger moet de code begrijpen).
Een voorbeeld:
Zender: Thomas;
Code: Serieus informatief bericht;
Medium: Een kaartje – per post;
Boodschap: Jullie zijn uitgenodigd voor mijn verjaardagsfeestje op 7 april 2020 om 21uur bij mij thuis;
Ontvanger: Vrienden / familie. Iedereen die het kaartje in de bus krijgt;
Context: Thomas wordt 30 jaar en hij geeft een feestje voor zijn vrienden / familie.

Uitleg.

Het is de bedoeling van Thomas om zijn vrienden / familie uit te nodigen (→ intentioneel) en hij stuurt hen een kaartje, We kunnen dus van  - eenzijdige -  communicatie spreken. Die komt pas echt tot stand wanneer mensen reageren (melden dat ze wel of niet komen bijv.). Maar stel dat Thomas zijn feestje viert op 1 april? Moeten we dan twijfelen aan zijn oprechtheid? Hij viert nooit zijn verjaardag, maar ineens wel op de internationale grappendag! Dat verandert de context en ook de code, omdat zijn bericht dan als een aprilgrap (dus ironisch) moet worden gelezen. Je komt aan een gesloten deur; Thomas is er niet. Er is geen feest. Je bent erin getrapt.


Omdat taalgebruik (communicatie) altijd plaatsvindt binnen een context en met gebruik van een code en een medium, is er steeds sprake van interpretatie bij de ontvanger. Stel dat iemand de hierboven genoemde uitnodiging (voor 1 april!) van Thomas ontvangt en dat hij juist een langlopend zakelijk conflict heeft met Thomas, dan wordt de ontvanger argwanend. Is dit weer één van die misselijke grappen waarmee de ruzie gepaard gaat? Maar misschien wil Thomas de ruzie bijleggen en ja, hij is nu eenmaal op 1 april jarig. Dus toch maar gaan? In een vervolgartikel behandel ik een aantal teksten en interpretaties.  [Zie: Semiotiek. Interpretatie van taal en tekens] 


.






[i] Engelse termen:
1.   referential (: contextual information)
2.   aesthetic/poetic (: auto-reflection)
3.   emotive (: self-expression)
4.   conative (: vocative or imperative addressing of receiver)
5.   phatic (: checking channel working)
6.   metalingual (: checking code working)




maandag 20 maart 2017

Verlaine: Pauca Mihi


De biblio-sonnetten van Paul Verlaine, deel III



Pauca mihi

Toen Verlaine in 1892 een reis naar Holland maakte, was zijn gezondheid nog prima, getuige zijn eigen beschrijving van deze reis in Quinze jours in Hollande. Van deze 15 dagen ging bijna de helft op aan reistijd. Verlaine was toen 48 jaar. Hij was in Nederland op uitnodiging van de Haagse boekhandelaar Blok en hij verbleef aldaar bij de familie Zilcken. Verlaine maakte tijdens die reis kennis met vele Tachtigers, waaronder Albert Verwey en de schilders Willem Witsen en Jan Toorop. Hij bezocht Den Haag, Leiden en Amsterdam en hield daar lezingen voor een enthousiast publiek. Er werd gelogeerd, gedineerd, gelezen en geconverseerd, vaak eindigend in een Grand-Café waar vele grote en kleine glazen werden genuttigd. In Den Haag ontmoette Verlaine de godfather van de Tachtigers: Willem Kloos. Ze hadden een levendig gesprek, waarbij echt geen sla werd gegeten, wel zoute koekjes. Dat de Koninklijke Bibliotheek in een lemma bij het boek Fêtes galantes vermeldt dat Verlaine aan een diner aan Kloos vroeg of hij van salade hield - als enige zin in de conversatie - is zeker verzonnen. Wel zou Verlaine bij het schrijven van zijn Quinze jours getuigen hebben geraadpleegd, om de gebeurtenissen te reconstrueren, want die was hij grotendeels vergeten. Misschien dank zij de vele Schiedamse bittertjes.

Waarschijnlijk geeft Verlaine een veel te rooskleurig beeld. Dat hij in die tijd geen erg florissante aanblik bood, blijkt uit de volgende beschrijving van Max Nordau, vermoedelijk in hetzelfde jaar van de Hollandse reis opgetekend.

“Wij zien een afzichtelijke ontaarde met een asymmetrische schedel en een Mongools gezicht; een impulsieve landloper en dronkaard, een zwakke overgevoelige dromer, die tevergeefs tegen zijn kwade aanvechtingen strijdt […] een brabbelaar, die door onsamenhangende woorden en zegswijzen duidelijk het niet-bestaan van een bepaalde gedachte in zijn geest verraadt.” [Max Nordau, Ontaarding, 1893.] Dat lijkt niet erg op het portret dat Jan Veth in 1892 van Verlaine heeft gemaakt (zie afbeelding) en stemt ook niet overeen met wat Verlaine zelf vertelt.

Met Verlaine ging het na 1893 snel bergafwaarts. Toen Pierre Dauze, de hoofdredacteur van de Revue Biblio-iconographique in oktober 1895 Verlaine vroeg om de biblio-sonnetten te schrijven, was Verlaine, ondanks o.a. een falend kniegewricht en verstaarde ogen, blijkbaar nog net fit genoeg om zich langs de boekenstalletjes aan de Seine te slepen. Hij zou maar 13 sonnetten voltooien.
In het sonnet Pauca mihi beschrijft hij - 51 jaar oud - zijn gezondheidstoestand en het weinige dat hem nog restte. Zware jicht en veel drank (vooral het giftige absinth) hebben zijn gestel ondermijnd. Halfblind geworden van de vele glazen [sic!] en een maag verteerd door zijn eigen zuur, schrijft hij met niet geringe zelfspot. Zijn boekenbezit is door zijn maîtresses verpatst aan de bouquinisten die de boeken meteen doorverkopen aan de boekenstropers. (Ook daar schreef hij een sonnet over: Les Quais). De schamele opbrengst van aan hem geschonken boeken vaak met een opdracht van de maker, wordt meteen besteed aan drank. Hij woont op een armoedig zolderkamertje, waar hij zijn sonnetten schrijft op de achterkanten van brochures en ziekenhuisformulieren. Op 6 januari 1896 is zijn leven voltooid. Hij leefde als een bohémien en slaagde er in te eindigen, als een biblio-chose. Hij was nu voor altijd zelf een boekending geworden.

[Paul Verlaine: Biblio-sonnetten. Uitgave: Stichting Cultureel Brabant, 2016.]



maandag 6 maart 2017

De biblio-sonnetten van Verlaine

De laatste verzen van Paul Verlaine, vertaald door Martin Hulsenboom.

I

In oktober1895 - tien jaar nadat de Tachtigers het tijdschrift De Nieuwe Gids oprichtten - wordt Verlaine in Parijs benaderd door Pierre Dauze, hoofdredacteur van de Revue Biblio-iconographique. Dauze wil dat Verlaine 24 sonnetten schrijft over het thema bibliofilie. Tegen het eind van het jaar heeft Verlaine dertien sonnetten voltooid, waarvan er tot dan vijf in de Revue verschijnen. Verlaine is dan al zo ziek dat verder schrijven niet meer lukt. Op 8 januari 1896 overlijdt de Pauvre Lélian, zoals hij zichzelf soms noemt. Deze dertien sonnetten zijn nu voor het eerst (!) in het Nederlands vertaald door Martin Hulsenboom.
Hoewel Verlaine nog steeds behoort tot de grootste dichters aller tijden, zijn er maar weinig mensen die regelmatig naar zijn poëzie tasten, laat staan in Nederland, waar de poëzie sowieso al een stiefkind is van de literatuur en de literatuur zelf ook al wordt verweesd door allerlei verhaalgenres die zich literair noemen, van zogenaamde thrillers (meest gelezen genre) tot literaire kookboeken (het minst gegeten).
Bij Verlaine gaat het dan ook nog om bibliofiele sonnetten. Belangwekkend voor de liefhebber, maar niet schokkend of ontroerend, al zijn ze toch op een sterfbed geschreven. Ook in Frankrijk wist, buiten de bibliomanen, niemand van het bestaan van deze sonnetten. In ons land zijn maar drie exemplaren bekend (van de 131 exemplaren) van de luxe editie die in 1913-1914 door de Franse uitgever Floury zijn bezorgd.
            Wie kent dan deze verzen? Martin Hulsenboom blijkt, de vertaler. Hij heeft al eerder tamelijk onbekend werk van Franse dichters vertaald, zoals De Lutrijn van Boileau-Despréaux en Ver-Vert van Gresset (over een onbetamelijke papegaai). Maar alleen de vertaling van de dertien sonnetten uitgeven zou al te mager zijn. Moest het - gezien het onderwerp de biblio-iconographique - niet ook een mooi boek worden? Een echt gebonden en geïllustreerd boek? Een boek voor de bibliofiel? 
Precies, dat is het geworden.

Naast de sonnetten – de originele versies verso en de vertaalde recto – is deze uitgave voorzien van een biografische schets, geschreven door Peter IJsenbrant en een degelijke bibliografische geschiedenis door Ed Schilders. In het boek staan de originele illustraties van Richard Ranft (van de Franse editie van 1913) en andere afbeelding zoals kopieën van de gedichten uit de originele druk en andere afbeeldingen van de beroemde verdoemde dichter. Het geheel is dus een drie-eenheid met aan de buitenkant de bio- en bibliografie en zoals bij een dubbeldikke boterham het beleg – de sonnetten - in het midden. Ook het drukwerk is zeer stijlvol verzorgd, want je kunt geen biblio-iconografiek werk uitgeven als dat zelf niet een biblio-ding[1] is. Dit boek is een juweel en een geschenk voor de ware amateur (liefhebber). Dus snel naar de boekwinkel.






[1] Verlaine schrijft in het sonnet Pauca mihi dat hij zelf in een ‘biblio-chose’ is veranderd.

II

De biblio-sonnetten van Verlaine (deel II)

De bibliofiele editie van de biblio-sonnetten van Verlaine is er gekomen op initiatief van Peter IJsenbrant, zelf een groot bewonderaar van Verlaine en liefhebber van de 19de eeuwse literatuur. Dat de biblio-sonnetten bekend waren bij IJsenbrant is een compliment op zich, want de schrijver van het Nederlands Wikipedia-lemma noemt ze niet. IJsenbrant zorgde voor een schets van Verlaine’s leven en Ed Schilders voor de bibliografische geschiedenis van de bibblio-sonnetten. Maar het gaat om het beleg in deze sandwichformule: de door Martin Hulsenboom vertaalde biblio-sonnetten.
Nu is het vertalen van (Frans) proza al lastig, maar poëzie maakt er machtsverheffen van. Ten eerste moet het rijm en het metrum a.h.w. meevertaald worden en daarnaast heb je met deze teksten te maken met het woordpakket van een Franse negentiende eeuwse en bepaald niet gemakkelijke dichter.

Laat me eens een proef doen met het octaaf van: L’arriveé du catalogue [De komst van de catalogus].


De originele tekst:
 
L’amateur reçoit son courrier! fiévreusement,
Même avant de toucher aux plis qu’il sait intimes,
Il court aux Catalogues et, rapidement,
Non encore rabidement, sans trop de crimes
Projetés ou conçus pour l’amour de sublimes
Emplettes, et voici qu’il tombe, justement!
Sur celui du libraire aux malices ultimes
Qui ne vend pas trop cher pour vendre sûrement,

Oef. Het octaaf heeft maar twee rijmklanken. In het Frans heb je wel het gemak van die uitgangen, als  -ment en  -ime. Maar die hebben we in Holland niet. Dat wordt straks puzzelen. Eerst eens proberen met mijn schoolfrans en met de diksjenèèr.

De amateur ontvangt zijn koerier = post! Koortsachtig
Zelfs voor het aanraken van de [nee, geen pils] briefjes kennend als intieme
Rent hij naar de Catalogus, en vlug,
Niet nog rabiaat (?) zonder veel misdaden (?)
Beraamd of bewust (?) op/van de liefde voor de sublieme
Koopwaar, en ziehier dat hij valt/zwicht, terecht,
Voor dat van de boekenman in de ultieme kwaden
Die niet te duur verkoopt om zeker te verkopen.

Nou, daar kan ik geen smakelijke salade van maken. Niet voor niets dat Verlaine aan een diner in Den Haag (1892) aan Monsieur Klooze vroeg of hij van salade hield. We weten niet wat Kloos antwoordde, maar wel dat Verlaine zich daar erg ongemakkelijk voelde. Hij zat liever in de kroeg, niet aan de sla maar aan de Schiedamse bittertjes. Die schonk men pas na de maaltijd en die was vol gangen. [Zie naschrift]

Goed, het kost al moeite om te begrijpen wat er staat. Een samenvatting. Bij de bibliofiel wordt de post bezorgd en daarbij de catalogi. In zijn opwinding, zijn hebberigheid naar het sublieme boek, negeert hij de amoureuze brief, maar stort zich op de catalogi om het  gezochte boek te vinden, dat net niet te duur is, maar ook niet echt goedkoop – die kwalijke boekenverkoperstactiek. En zo blijkt verderop: hij gaat voor de bijl. Het begeerde boek moet onmiddellijk besteld en als de bestelling bevestigd wordt, valt de klant flauw. De moraal: Verlaine drijft nogal de spot met de bibliomanie. De liefde voor het boek is sterker dan voor de steller van de liefdesbrief die met dezelfde post meekwam.

Maar we zitten nog met een kreupele amateurvertaling. Geen rijm, geen ritme, lange en korte regels, geen samenhang. Prutswerk. Ik heb misdaden en kwaden (nou ja) en subliem en intiem nog kunnen laten rijmen door de laatste twee adjectieven niet te vertalen. Gelukkig dat het Nederlands in vroeger tijden sterk door het Frans is beïnvloed en we daarvan veel woorden hebben geleend. Maar toch. Mij lukt het niet.
En dan komt Martin Hulsenboom in beeld en hij maakt er magie van.

De bibliofiel ontvangt zijn post! In euforie,
Zelfs vóór hij tast naar kennelijk intieme brieven,
Werpt hij zich onverwijld op de Catalogi.
Nog niet doldriest, en wars van kwalijke motieven,
Bedacht uit liefde voor superbe handelswaar,
Slaat hij nu uitgerekend de brochure open
Van die wel zeer geraffineerde antiquaar,
Die niet te duur verkoopt om zeker te verkopen.

Ja die Hulsenboom, dat is een magicien, een ritmemaker en een woordengoochelaar hoog in de nok van het taalcircus balancerend op het wiebelige koord van de poëzie. Met zijn bâton tovert hij er twee eindrijmklanken bij, maar hij valt niet. Hij danst. Het publiek bezwijmt.   

[Naschrift: Si non e vero,... Waar het verhaal over de smakelijkheid van de salade vandaan komt, is niet te achterhalen. Het fenomeen van de nepanekdote, duikt vrijwel in elk schrijversverhaal op. Verlaine maakte tijdens zijn bezoek aan Holland  kennis met Kloos in een Haags café en naar eigen zeggen (zie: Quinze jours en Hollande) werd er intens gekletst en gedronken.]

[Deel III gaat over Verlaine en de andere sonnetten]