Lilith
Door de twee scheppingsverslagen in Genesis (1-2) met elkaar te vergelijken en de verschillen te interpreteren, ontstond het idee dat Adam vóór Eva een gelijk geschapen vrouw had, Lilith. Als duidelijk beschreven persoon verschijnt Lilith pas in het Alfabet van Ben Sira uit de 7e of 8e eeuw. Ben Sira beschrijft de legende dat God naast Adam een vrouw uit leem schiep, Lilith. Zij ging in op Adams voorstel om seks te bedrijven, maar ze kregen ruzie omdat ze weigerde onderop te liggen, aangezien ze (te)gelijk waren geschapen.
Middeleeuwse rabbijnen namen Ben
Sira's verhaal over. In Genesis 1 zou Lilith zijn geschapen, en in Genesis 2 de
meer gehoorzame Eva. Er bestonden alternatieve verhalen, ook in het christendom
Voor Nederland maakte Emants een op haar
geïnspireerd gedicht, dat hem niet in dank werd afgenomen, maar Kloos
verdedigde het en Verwey noemt het als een der feeën aan de wieg van de
beweging van 80; toevallig staat zij ook aan de wieg van de beweging van 50
{Schierbeek, Lucebert], en daarom staan we even stil bij Emants's Lilith.
In dat gedicht is Jehovah een wellustige God, die Lilith - één van de
oorspronkelijke geesten - bemint. Zij schenkt ten gevolge daarvan Adam het
leven, waarna God haar verstoot. Wanneer Adam haar vindt en begeert, tracht ze
hem te betrekken in haar zucht om zich op God te wreken, maar Adam koestert
geheel andere, voornamelijk erotische gevoelens, om welke reden zij hem
verjaagt. God stuurt haar daarop een engel met de boodschap dat haar een
blijvende plaats in de hemel zal worden geboden, wanneer zij Adam een
levensgezellin zal baren. Lilith is daartoe bereid, mits zij in de hemel
opnieuw de rust genieten zal, die zij kende, van voordat in haar de wellust was
gewekt, maar God kan daar niet op ingaan. Zinnend op wraak schenkt Lilith dan
toch het leven aan Eva, die in alle opzichten een spiegelbeeld is van de moeder
- maar met dit verschil dat Eva blond is, en Lilith zwart. Die gelijkenis is
haar wapen om zich op God te wreken. Wanneer Adam Eva ontmoet, rijst de twijfel
in hem op, maar Eva slaagt erin hem ervan te overtuigen dat hij met haar, niet
met Lilith te doen heeft. In haar boosaardigheid probeert Lilith alsnog Eva
tegen Adam op te zetten, maar als Eva zich vol kinderliefde aan haar boezem
vlijt, wint de moederliefde het toch, en wil Lilith haar plan opgeven. Dat is
tegen de zin van haar zusters, die er dan ook door demonenlist in slagen, Adam
toch in de val te laten lopen. Ze fluisteren Eva in, dat Adams hart niet
uitgaat naar haar, maar naar Lilith. Geholpen door sluwheid en schaduw doet Eva
zich aan Adam als Lilith voor, en moet dan aanhoren, dat Adam inderdaad Eva
graag voor Lilith in zou ruilen. Tot zover Emants' verhaal (dat nog lang niet
uit is hiermee).
GIFTIGE WOORDEN
Het was Lilith , als slang met schubben, die tot Eva sprak
Haar adderlijf gedraaid om de boom
van goed en kwaad
Haar giftige muil hangend over een
tak, vol verleidelijke praat
Eet van deze appel, zei zij
sissend, de vrucht van het verraad.
Giovanni Tomasi di Campina
Er zijn woorden die sissen als slangen.
Vleesetende woorden met een muil vol tanden.
Paul Snoek
En
een fragment uit Lilith van Marcellus Emants
Een doodlijk bleek verjaagt den diepen blos, Die nog zoo even op zijn wangen gloeide, Zijn hart klopt bang, hij voelt den drang ontwaken, Zijn lippen op haar rozemond te drukken, Zijn armen om dien blanken hals te strenglen, En met haar zwarte haren borst aan borst Zich aan dat heerlijk lichaam vast te snoeren, Tot eeuwge liefde en eeuwge zaligheid. Een onweerstaanbre macht werpt hem ter aarde. Hij buigt de slanke lelies uit elkander, Die 't schoone lijf haar blankheid mededeelden, Zijn hand glijdt over 't melkwit voorhoofd heen, Zijn mond drinkt reeds den adem van haar lippen, En 't klinkt weer zacht: ‘Heeft Adam Lilith lief?’ Nu vat hij stout de donkre lokken aan, Waarin narcis en vuurge rozen gloeien.... Doch plotseling ontsnapt een kreet zijn borst, Een scherpe doorn drong diep in 't vleesch hem door, Hij trekt de hand terug.... 't is te laat. Den bliksemflits gelijk, die blinkt en doodt, Springt Lilith van haar bloemenbed omhoog. |
|||||||||||||||||
|
[p. 15] |
|||||||||||||||||
|
‘Terug vermeetle’! spreekt ze, en wijst hem af Met blik en streng gebaar. ‘Terug die hand! |