donderdag 16 april 2026

De zevende functie van taal (de roman)

 Een roman over de zevende taalfunctie

Het veel gelezen en brutaal grappige boek van Laurent Binet: De zevende fuctie van taal begint met de dood van Roland Barthes: de belangrijkste literair criticus van de 20e eeuw. Hij wordt op 5 februari 1980 aangereden door een bestelbusje (een moordpoging) waarna hij nog enige tijd in het ziekenhuis doorbrengt voor hij overlijdt  (echt gebeurd). Hij zou in het bezit zijn van een document waarin de zevende fuctie van taal wordt uitgelegd; maar (spoiler) dit document wordt nooit gevonden, ondanks de naspeuringen van politiecomissaris Bayard en vele anderen. In het boek wordt de hele Parijse literaire en politieke wereld op de korrel genomen, vooral de taalkundige Foucault en president Giscard moeten het ontgelden. Feit en fictie in dit boek vormen een onlosmakelijk weefsel. 

Lees het uitgebreide artikel over De zeven funties van de taal in een eerder blog. Zoek met de term: Taalfuncties.

LEIJSTEEN 10

 

LEIJSTEEN 10

 

Soms doen mensen gif in het eten van hun partner omdat de liefde in haat is verworden.

Meestal zijn het vrouwen die hun man vergiftigen, terwijl mannen eerder doodslaan, ook al staan er wetten in de weg en praktische bezwaren.

Ook doen vrouwen wel eens gif in hun eigen eten omdat ze diep ongelukkig zijn met hun saaie bestaan,

Madame Bovary had een brave maar saaie man in een saai dorp met saaie bewoners

Het grootste evenement in die tijd, de tijd in het dorp waarin Madame Bovary leefde, was de landbouwtentoonstelling.

Voor de rest was er niks te doen.

Het leven leek daar toen wel op wat nu een intelligente lockdown heet.

Emma Bovary kon wel gaan winkelen in de grote stad en stiekem haar minnaar ontmoeten, maar het hielp al maar niet tegen de overvloed aan tijd om niets te doen.

Dus ze nam een kopje arsenicum en verwoestte daarmee haar ingewanden, zodat het zwart uit haar mond liep.

Men vond het boek van Flaubert een schandalig werk.

Dat was heel goed voor de verkoop.

Rond de eeuwwisseling, dus rond 1900, verschenen er wel meer schandelijke boeken.

Zo had je Pijpelijntjes, dat gaat over twee homoseksuele mannen.

De titel verwijst niet naar een seksuele bezigheid maar naar de volkswijk De Pijp in Amsterdam.

De verkoop van het boek verliep nogal vreemd.

Het bleek dat iemand de hele voorraad van alle boekhandels in de stad opkocht.

De koper, de arts Aletrino, had zichzelf in één van die twee mannen herkend.

De schrijver Jacob Israël de Haan werd later vermoord, niet omdat hij dit schandelijke boek had geschreven, maar omdat hij, toen hij als zionist naar Palestina was gegaan, het opnam voor de rechten van de Palestijnen.

De Haan zag dat de zionisten de Palestijnen het liefst zouden verjagen uit het beloofde land.

Dat had God gedaan.

Niet de moord maar het land beloven.

Nu zijn de zionisten met bommen en granaten de Palestijnen definitief aan het verjagen.

Een ander schandelijk boek rond 1900 heette Een liefde.

De schrijver was Lodewijk van Deyssel.

Zijn eigenlijke achternaam was Alberdingk Thijm,

Hij kwam uit een deftige katholieke familie.

Het boek was bepaald niet deftig met al die seksuele hartstocht.

In de jaren zestig van de vorige eeuw verschenen er, tot grote vreugde van de rijpere jeugd, nog veel meer schandelijke boeken.

Het was het decennium van de ophef over zulke boeken van o.a. Gerard van het Reve, Jan Wolkers en Jan Cremer.

Dat was dan het Nederlandse aandeel in de ophef.

Het allerschandelijkste boek dat wereldwijd voor ophef zorgde ging over de perverse liefde van ene Humbert Humbert voor Dolores Haze, alias Lolita.

Lolita was nog geen dertien jaar; toen HH met haar van het ene motel naar het ander trok.

Nabokov noemde deze pre-puberale meisjes nimfijnen.

In 2025 stond in De Volkskrant: Lolita is geen verhaal over een minderjarige verleidster, maar een over de vernietiging van een meisje.

Het verhaal werd in 1955 als pornografisch beschouwd en de schrijver was net als Humbert Humbert, een onbetrouwbare leugenaar en een pedoseksueel.

Niet zelden worden de daden van de hoofdpersoon in de schoenen geschoven van de schrijver.

Met die schoenen aan beschrijf ik een ongepast beeld.

Het beeld stemt niet met de werkelijkheid overeen; het is onjuist.

Ik zou zeggen dat de beelden ontstaan in het hoofd van de lezer en niet in de schoenen van de schrijver.

Het boek werd uiteraard verfilmd.

Het eerst in 1962 door Stanley Kubrick.

Het probleem van de film is dat het vertelperspectief van de leugenachtige Humbert ontbreekt.

Dat vertelperspectief is het pleidooi dat Humbert schrijft in de gevangenis.

Dit pleidooi toont wat Humbert onder de waarheid verstaat en dat is dus nogal subjectief.

Een film toont ons in beelden wat er gebeurt, niet hoe het gebeuren in taal verteld wordt.

In Frankrijk hadden ze met expliciete beelden minder moeite dan de Amerikanen.

De Franse film, beleefde in de tijd de nouvelle vague waarin de liefde, of liever de seksuele bezigheid, zonder veel scrupules werd getoond.

Meestal bedreef men die liefde op een zolderkamertje onder een heet zinken dak.

Dat van die heet zinken daken komt, omdat in het oude Parijs de daken in hun geheel werden bedekt met zinken platen.

In het toneelstuk Kat op een heet zinken dak wordt per ongeluk gedacht dat het dak van tin was.

Dat komt omdat dat stuk in Amerika speelt en niet in Parijs.

Onder het dak van die Parijse kamertjes werd het in de zomer bloedheet en in de winter starnakel koud.

Hongerkunstenaars, balletdanseressen, acteurs, modinettes en etaleurs waren de belangrijkste bewoners van die kamertjes onder zo’n gloeiend of ijskoud dak.

Parijs is de stad van olala, vanwege de verse aanvoer van modinettes en soubrettes.

De bekendste film in dit genre heet Irma la Douce.

Die film werd grotendeels in Los Angeles gemaakt, dus van expliciete beelden was geen sprake.

Irma is een comédienne en Emma niet.

Die film met Shirley Maclaine als Irma is ongeloofwaardiger dan het boek over Emma Bovary van Flaubert.

Toch kreeg de film heel veel Oscars en Flaubert veel misprijzen.

Het leven onder zo’n zinken dak was niet alleen heet of bitterkoud maar ook armoedig.

Het rook er niet alleen muf en benard, maar evengoed naar illegaliteit, zoals het beroep van Irma.

Toch is dit geen echte Franse film want de hoofdrollen worden gespeeld door Amerikanen.

Het gangstermeisje van Remco Campert had ook best onder zo’n zinken dak gekund, maar die waren er in Amsterdam niet.

Helaas is dat boek niet verfilmd, maar wel is er een wonderschone stripversie van.

LEIJSTEEN 12

 

LEIJSTEEN 12

 Er is maar één schrijver in de Nederlandse letteren die naar de Balkan ging en daarover schreef.

Hij noemde zichzelf  Den Doolaard.

Hij werd begraven onder een zwerfkei op de Veluwe: "We hebben tussen wonderen geleefd maar we hebben het niet begrepen" staat er op de steen.

Hij wordt ook niet meer gelezen.

Wat er in de Balkan gebeurde, interesseert hier niemand, behalve misschien de Nederlandse soldaten die moesten toezien dat ze niets mochten doen

De commandant van de Nederlandse soldaten die de Bosniërs in Srebrenica moesten beschermen, kreeg een schemerlamp cadeau van de Servische generaal Mladic, omdat hij, behulpzaam was geweest bij het scheiden van vrouwen en kinderen van hun mannen en vaders.

Die mannen, plm. 7000, werden daarna geëxecuteerd.

In Ohrid, de parel van de Balkan, staat een monument ter ere van Den Doolaard.

In het toeristenseizoen is er een tentoonstelling te zien.

Den Doolaards roman De bruiloft der zeven zigeuners speelt zich af in Ohrid.

Toerisme is een belangrijke bron van inkomsten.

De eerste toeristen waren pelgrims.

Daarom moest je een plek hebben waar een wonder was gebeurd.

Desnoods verzon je dat wonder zelf.

Daar werd dan een kerk neergezet, waar de pelgrims de heilige konden aanbidden.

De belangrijkste kerk in Ohrid is gewijd aan Sint Naum,

Sint Naum speelde een cruciale rol in het verspreiden van het christendom en het onderwijs van de literatuur in het Slavische gebied. 

Hoewel de gebroeders Cyrillus en Methodius het glagolitische schrift ontwikkelden, heeft hun werk, mede dankzijpersonen als Sint Naum, geleid tot de ontwikkeling van het latere cyrillische schrift.

Dat staat op Wikipedia.

Sint Naum is begraven in de kerk en volgens de lokale bevolking kun je de hartslag van de heilige nog horen als je een oor op zijn graf legt.

Dat is zeker een wonder, als het waaar is, maar volgens mij hoor je dan je eigen hartslag.

Je zou kunnen zeggen dat de bewondering voor een Nederlandse schrijver in Macedonië groter is dan in eigen land.

De bewondering voor het werk van Antoon Coolen kwam vooral voor in Brabant.

Hij was niet steeds op den dool zoals Den Doolaard, maar wel een tijdgenoot.

Coolen is bekend geworden met Dorp aan de rivier.

Hij was bevriend met de huisarts in Deurne, Hendrik Wiegersma, die weer een zoon was van Jacob Wiegersma, huisarts in Lith.

In dat boek heet Jacob Tjerk van Taeke en de rivier heet Maas.

Die Henrik had maar liefst vijf zonen en de bekendste heet Friso die Het tuinpad van zijn vader schreef, dat gezongen werd door de vriend van Friso, Wim Sonneveld genaamd.

Overigens was dit lied, een nostalgische tekst, oorspronkelijk van Jean Ferrat.

Dat lied heet bij Ferrat De berg en is niet alleen nostalgisch maar ook cynisch..

Hendrik komt ook voor in een boek van Toon Kortooms: Help de dokter verzuipt.

Dat lollige boek werd veel beter verkocht dan de doktersboeken van Coolen.

Coolen had vier zonen.

Die eerste drie had hij genoemd naar de Vlaamse schrijvers: Stijn Streuvels, Guido Gezelle en Felix Timmermans. De vierde zoon met een dubbele voornaam werd genoemd naar het echtpaar Wiegersma, Petrus (naar Petronella) en  Hendrik naar Hendrik.

Dat heeft natuurlijk niets met zijn boeken te maken, maar met andere schrijvers en kunstenaars.

In 1936 verscheen De drie gebroeders.

Dat ging alweer over de zonen van Friso ofwel in het echt Jacob Wiegersma.

Die zonen, dus die gebroeders, heetten Henrik, Jaap en Gerrit.

Maar in het boek heten ze Tjerk, Evert en Wobbe.

Nu bent u vast de draad kwijt.

Critici van Coolen vonden dat hij van die uitwaaierende zinnen schreef met veel herhalingen, zodat de lezer ook in die breidraden verstrikt of verveeld raakt.

Alles wat werkelijk gezegd kan worden, kan helder gezegd worden en dat hoeft dan niet tien keer opnieuw gezegd te worden.

Daarom ging Coolen kortere zinnen schrijven.

Ook liet hij de personages wat minder in het Deurnese dialect praten.

Stijn Streuvels schreef ook over een dorp aan de rivier, maar dat was eigenlijk meer een gehucht: De Teleurgang van de Waterhoek.

Daar kwam een brug en werd de oude veerboot overbodig.

De notaris kwam het aan de simpele zielen van de Waterhoek uitleggen.

Hij werd uitgelachen en uitgejouwoud.

Ze saboteerden de bouw van de brug en staken de dam waardoor de bouwput vol water liep.

De bouwers werden bedreigd en een paar werden zelfs vermoord.

De rijkswachters maakten jacht op de daders.

Dat doet me denken aan de protesten tegen een asielzoekerscentrum in deze tijd of de bezetting van een bos waardoor een weg staat gepland.

Verzet tegen verandering en de veronderstelde noden van de moderne tijd is streekoverstijgend.

Enkele boeken van Coolen, hoewel geworteld in het Brabantse dorpsleven, zijn dat ook.

Over het algemeen werd zijn werk positief ontvangen, maar de pejoratieve term streekroman werd toch op zijn oeuvre geplakt.

Streuvels hield er dan weer een eigenaardig taalgebruik op na met veel impressionistische bijvoeglijke naamwoorden.

Hij gebruikte ook West-Vlaamse woorden die zelfs de West Vlamingen niet kenden.

Dat had hij van zijn oom Guido Gezelle die een lange lijst aanlegde van particularismen.

Dat maakt Streuvels zinnen nogal gekunsteld.

De Teleurgang  en Dorp aan de rivier werden destijds goed verkocht en verfilmd, allebei door Fons Rademakers.

In de Teleurgang was Willeke van Ammelrooy als Mira, de slonze, de trekpleister.

Trekpleister is een raar woord.

Maar die trekpleister trok wel de flmgenieters aan.

Maar niemand leest Streuvels, Coolen, Den Doolaard of Timmermans nog.

 

 

donderdag 8 januari 2026

LEIJSTEEN 16

 

LEIJSTEEN 16

 Jantje zag eens pruimen hangen

O als eieren zo groot

De tuinman zag zijn bolle wangen

En sloeg de vuile gapper dood

 Zo ging het natuurlijk niet eind 18de eeuw.

Het gezond verstand was de baas.

Jantje gapt geen pruimen, want waarom zou hij ongehoorzaam wezen?

Natuurlijk niet.

Zijn vader had de hardop gesproken overweging gehoord en beloonde de verstandige Jantje met een hoed vol pruimen.

Zo had Jantje nog meer pruimen dan wanneer hij ze gestolen had.

De deugd wordt beloond.

En het verstand gewaardeerd.

Zo had je Justus van Effen die naar Engels voorbeeld een tijdschrift volschreef met verstandige redenaties waarin voors en tegens werden afgewogen.

Dat tijdschrift heette De Hollandsche Spectator en Van Effen hield het vier jaar vol tot 1735.

Het bestond uit twee gevouwen en gebrocheerde vellen papier, dus totaal acht bladzijden.

Toch had zijn blaadje veel invloed.

Van Effen werd wegens verdiensten voor de Engelse cultuur – hij vertaalde Engelse boeken en The Spectator in het Frans en Nederlands - zelfs benoemd tot lid van de Royal Society.

Kom daar nu maar eens om.

In Frankrijk grepen eerst de revolutionairen de macht en maakte de adel en kopje kleiner. Voortaan was iedereen gelijk.

Dat duurde niet lang.

Nadat Napoleon een aantal verstandige maatgelen had genomen, leek het hem een goed idee om heel Europa te veroveren.

Dat liep vooral in Rusland niet goed af.

Toen Napoleon bij Waterloo uiteindelijk verslagen was, had men liever geen revolutie of oorlog meer.

De burgerij wilde rust, reinheid en regelmaat.

Zo had je de brave Pieter Stastok in een verhaal van Nicolaas Beets.

In dat verhaal gaat Hildebrand – een pseudoniem van Nicolaas – op bezoek bij de familie Stastok.

Het is donderdag en die dag komt een beetje ongemakkelijk uit omdat dan altijd de zitkamer wordt schoongemaakt.

Pieters vader deed elke middags eerst een dutje, werd wakker van het geratel van de diligence, keek op zijn horloge of het wel precies twee uur was en opende dan de kast voor de drankfles, vulde een glaasje en genoot dan van zijn dagelijkse bittertje.

Over rust, reinheid en regelmaat gesproken.

Verstandige mensen, maar met weinig emoties.

In die tijd schreef Goethe Die Leiden des jungen Werthers.

Die Werther ging dood van liefdesverdriet.

Tenminste hij had liefdesverdriet en pleegde zelfmoord.

Het schijnt dat vele jongeren zijn voorbeeld volgden.

Hun verstand werd weggespoeld door hun heftige emoties.

Het sentimentalisme was geboren.

Dat riep al spoedig de spotlust op van andere schrijvers

Piet Paaltjens die eigenlijk Francois Haverschmidt heette, schreef geestrijke spotgedichten.

Hij spotte zelfs met de zelfmoordenaar.

Dat zou tegenwoordig niet meer op prijs worden gesteld, toen trouwens ook niet.

Je moet nu meteen het telefoonnummer van zelfmoordpreventie onder zo’n tekst zetten.

In de 19de eeuw had je nog geen telefoon, dus ook geen preventie.

Het navrante is dat Haverschmidt toen hij dominee was en bekend stond als een zwaarmoedige predikant zelfmoord pleegde door zich net als de zelfmoordenaar in zijn spotgedicht, op te hangen.

Ook de deugd leed schipbreuk

Multatuli maakte korte metten met de deugd.

Droogstoppel had een huisknecht die te oud werd om nog te werken.

De huisknecht had jarenlang zonder klagen zijn plicht gedaan.

Nu moet hij naar een ameluidenhuis.

Wordt hij beloond om zijn deugdzaamheid?

Nee, zegt Droogsptoppel, natuurlijk niet.

Hij kom niet op het idee om de arme knecht een pensioen te geven.

Hij belegt liever zijn geld in de Nederlandsche Handelmaatschappij die dat geld o.a. weer belegt in de koffiehandel.

De koffiehandelaren verdienden toen goed geld aan de koffie.

De slaven die op de koffieplantages werkten, die kregen alleen slaag.

Dat zou tegenwoordig niet meer op prijs worden gesteld, toen door abolitionisten ook niet.

Nu is de slavernij wel afgeschaft, maar evengoed verdienen de handelaren nog steeds veel geld met speculatie in de koffiehandel.

De koffieprijs stijgt veel harder dan de inflatie.

Maar daar merken de koffieboeren niets van, behalve als je Havelaarkoffie koopt.

Deze koffie is genoemd naar Max Havelaar, het boek van Multatuli.

Zo zie je maar dat literatuur nog ergens goed voor is.

De afschaffing van de slavernij werd ook bevorderd door een boek: De negerhut van oom Tom van Harriet Beecher Stowe.

Als Trump toen president van Amerika was geweest, had hij dat boek verboden.

De geschiedenis laat zien dat boeken vaak verboden worden.

Dictators houden niet van kritische kranten, tijdschriften en boeken; ze zijn niet gesteld op vrije denkers.

In de V.S. worden boeken uit de bibliotheken gehaald omdat ze niet fatsoenlijk zijn.

De brave Nederlandse literatuur van de 19de eeuw hoefde men niet te verbieden.

Je zou dat de tandeloze literatuur kunnen noemen.

Een paar schrijvers vonden dat ook.

Ze richtten een tijdschrift op en noemde dat de Gids.

Dit tijdschrift werd in 1837 opgericht door Potgieter en Robidée van der Aa.

De scherpste criticus van dit tijdschrift was Busken Huet.

Het puntje van een scherpe pen, is het felste wapen dat ik ken, schreef Jacob Cats al twee eeuwen eerder.

Busken Huet schreef lange kritieken en werd nogal gevreesd in de vaderlandse literaire kneutertuin.

Toen De Gids een beetje ingedommeld was werd de Nieuwe Gids opgericht.

Dit tijdschrift ging door gebrek aan lezers ten onder tijdens de Duitse bezetting.

De Gids bestaat nog steeds.

Je krijgt die gratis bij de Groene Amsterdammer.

De Groene van 1877 is het laatste kritische en culturele weekblad dat nog steeds verschijnt.

woensdag 7 januari 2026

LEIJSTEEN 15

 LEIJSTEEN 15

 

Misschien zit ons hele heelal wel in een zwart gat.

Misschien zit dat enorme zwarte gat weer in een ander zwart gat,

Misschien zijn er dan nog meer heelallen.

Dat is het matroesjkapoppetjesmodel.

Zwarte gaten kun je eigenlijk niet zien; zo donker zijn ze.

Ze slokken alle energie uit hun omgeving op

Ik denk dat de Nederlandse literatuur ook vlak bij zo’n zwart gat zit.

Het is er een slappe futloze boel.

Maartje Wortel schreef onlangs het boek Camping.

Het is zo’n camping met veel vaste en wat rare gasten.

Op zich is dat wel vermakelijk, maar waar gaat het boek eigenlijk  over?

Volgens Tzum zou het boek een spiegel zijn van onze maatschappij.

Omdat de camping vol zit met drop-outs en daklozen

Dan is er iets mis met de spiegel of met het maatschappijbeeld van recensent Peppelenbos.

Het einde is nogal onverwacht en slaat nergens op, maar dat moet u zelf maar lezen.

Voor zijn boek Uit het leven van een hond kreeg Sander Kollaard de Libris literatuurprijs.

Er komt inderdaad een hond in voor.

De hond is nogal ziek.

Maar dat is niet de hoofdpersoon.

Dat is Henk.

Henk is een lullige vent die maar wat aanrommelt in zijn leven.

Vooral in de liefde of het gebrek daar aan.

Goed beschouwd is de hoofdpersoon zelf een zieke hond.

Om de Librisprijs te winnen moet de jury uit bijna vijfhonderd door de uitgevers als literatuur aangemerkte Nederlandstalige boeken selecteren.

De Vlamingen mogen dus ook meedoen.

Bijna vijfhonderd literaire werken per jaar kan geen enkel mens in een jaar lezen, dus hoe gaat dat selecteren dan?

Uit die selectie komt een longlist tot stand en de boeken worden dan verdeeld over een aantal juryleden.

Na deze leesronde maken die een shortlist, waaruit de winnaar wordt gekozen.

De literatuur als wedstrijd met de boekverkopers en de uitgevers als sponsors.

Omdat er veel mensen zijn die zich graag laten kwetsen en dan boos worden, kiest de jury blijkbaar voor boeken die niemand kan kwetsen.

De braafheid wordt beloond net zoals in Jantje zag eens pruimen hangen.

De brave 18de en 19de eeuw komen terug.

 

W.F Hermans vond dat er maar één echte schrijver is, en dat is; jawel Multatuli.

Voor de rest had hij weinig waardering.

Voor Hermans bevond die rest, dus alle schrijvers op Multatuli na, zich in een zwart gat.

Of om Hermans woorden te gebruiken: in een muizenhol.

Vondels toneelstukken zijn praatstukken; er wordt niets gedaan.

De dramatische handeling is beneden peil.

Er wordt niet getoond maar verteld.

Met de  tijdgenoten van Vondel is het al niet beter gesteld.

Constantijn Huygens en P.C. Hooft schreven nauwelijks behoorlijk Nederlands.

Alleen Focquenbroch kon er mee door.

Focquenbroch was een satiricus en dreef de spot met alles en iedereen.

Dat was waarom Hermans hem boven al die anderen waardeerde.

Met de literatuur in de 18de eeuw was het nog droeviger gesteld.

Betje Wolff en Aagje Deken zijn na-apers van het bastaardgenre: de roman in brieven.

Hildebrand schreef huiskamertjesliteratuur.

De familie Stastok is daar een mooi voorbeeld van.

Het spannendste moment van de dag is waarop de diligence voorbij komt.

Dan pakt de oude Stastok zijn vestzakhorloge om te controleren of de koets wel precies op tijd het huis passeert.

Benepenheid en gebrek aan heroïek.

De Tachtigers – een groepje jongemannen die het rijdschrift De Nieuwe Gis oprichtten in 1885 hadden hoogdravende woorden en uitweidingen nodig om hun onbenullige thema’s op te krikken.

Ook de twintigste eeuwers vallen door de mand.

Du Perron kan nog enige waardering krijgen van Hermans.

Zijn boek De man van Lebak (dat is Multatuli) vindt hij een knappe biografie.

Maar de vorm of vent discussie vindt  hij van secundair belang.

Aan Menno ter Braak had Hermans een onbegrensde hekel.

Zijn literaire prestaties lijken op die van een kanselprediker.

Met zijn troebel taalgebruik behandelt hij zwaarwichtige kwesties.

Allemaal napraterij.

Hermans drijft de spot met Ter Braaks zelfmoord.

Een daad van misplaatste angst.

Naast Du Perron, konden alleen Bordewijk en de dichters Hendrik de Vries, Slauerhoff en Lucebert op waardering rekenen.

Woorden van Hermans via Ronald Havenaar in zijn boek Nederland volgens WFH.

Behalve veel kritieken, verhalen en romans heeft WFH ook een zes toneelstukken geschreven. Met het stuk over King Kong kreeg hij ruzie met de NTS (de Nederlandse televisiestichting) omdat volgens Hermans Lindemans (de echte naam van King Kong) geheime informatie had doorgegeven aan de Duitsers, althans dat werd beweerd.

Lindemans zou door zijn vriendschap met Prins Bernhard aan die geheime informatie gekomen zijn.

Bekend is dat Bernhard nogal slordig omging met zijn papieren.

Daardoor mislukte de inname van de brug bij Arnhem, die belangrijk was om door te stoten naar Oost-Nederland waardoor de Duitse bezetters in de tang kwamen te zittend en de bevrijding van geheel Nederland nog voor de winter van 19444 kon geschieden.

Door die informatie was het offensief ‘een brug te ver’ en duurde de bezetting nog zeven maanden langer.

Dr. Lou de Jong, de directeur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie was van mening dat Lindemans niet over die informatie kon beschikken.

De omroep besloot het toneelstuk niet vertonen.

King Kong, het toneelstuk dan, is een stuk waarin meer wordt gepraat, dan getoond.

Het is nl. een verhoor van de onderzoekscommissie.

Hermans laat er voor de actie wel een stel demonstranten optreden, maar daarmee wordt het stuk niet beter, eerder potsierlijk.

Het dramatisch werk van Hermans was geen succes.

Net veel geleerd van de praatstukken van Vondel.

 

LEIJSTEEN 14

 LEIJSTEEN 14

In 1951 verscheen Ik heb altijd gelijk van Willem Frederik Hermans.

Dit ‘ik’ slaat op de hoofpersoon, ene Lodewijk Stegman, maar indirect op Hermans zelf, want die spreekt met de mond van Stegman.

Op bladzijde 26 (van de herziene druk) wordt het katholieke volksdeel beledigd.

“Die katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar díe naaien er op los. Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen.[…] Over twintig jaar hebben de katholieken in Nederland de meerderheid.”

In 1952 stond Hermans voor de rechter omdat hij wegens belediging was aangeklaagd.

Er ontstond veel ophef, inbeslagnames en volgeschreven kranten.

Hermans werd vrijgesproken, omdat  “de gebezigde woorden in de mond worden gelegd aan en worden weergegeven als gedachten van een in de roman voorkomende persoon, die in de loop van het verhaal wordt voorgesteld als een verlopen, drankzuchtige, wegens corruptie in het leger gedegradeerde psychopaath, die zijn afkeer tegen het leven en tegen de Nederlandse zeden, gebruiken en opvattingen in ruwe taal uit, daarbij de gevoelens zijner medemensen - onverschillig of deze tot de katholieke of tot een andere bevolkingsgroep behoren - niet sparende. “

Dat zei het hof.

Ruwe taal.

Ludwig Wittgenstein, Hermans’ lievelingsfilosoof, was zich ervan bewust dat hij filosofie bedreef in een gecorrumpeerde, ongezuiverde taal.

Beledigen is in Nederland toegestaan als dat gebeurt met de taal van een verhaalpersoon.

Je kunt dat beter niet doen in het huidige Rusland.

Sinds dit proces werd beledigen een nieuw fenomeen in de romankunst.

Of beter gezegd het zich beledigd voelen.

Na Hermans kwam Gerard Kornelis van ‘’t Reve met een passage waarin hij copuleerde met God in de gedaante van een ezel om wiens hoeven hij – Reve- zwachtels had gedaan om geen schade toe te brengen als God spartelend klaarkwam.

Hermans vond later dat zijn voormalige vriend zich verloor in de ambitie een verdachte geur van heiligheid te verspreiden ‘met de ezelspoep nog aan zijn piemeltje’.

Reve nam niet eens de moeite om dit te laten vertellen door een verhaalfiguur of anders gezegd de verhaalfiguur was Reve zelf.

Het proces wegens belediging werd bekend onder de naam ‘ezelsproces’.

Ook Reve werd vrijgesproken.

Mensen voelden zich niettemin beledigd door de vrijmoedigheid van Reve en ook van Jan Wolkers.

Niettemin werden  Kort Amerikaans en Turks fruit in massa-oplagen verkocht en ook de verfilming van Turks Fruit kon op massaal bezoek rekenen.

Jan Wolkers was een sympathieke man, wat niet gezegd kan worden van de misantrope Willem Frederik Hermans en de niettemin begaafde maar arrogante Harry Mulisch.

Hermans noemde Mulisch een kale opschepper.

Met Mulisch was Hermans ook gebrouilleerd.

In Liesje in Luiletterland komt Mulisch voor als de best gekapte schrijver van Nederland.

Hij ontvangt dagelijks vrouwelijke fans, die in een wachtkamer wachten op een beurt.

In zo’n beurt heft hij het niet-zijn bij hen op door het te vullen met zijn Zijn waardoor er een gloedvol wel-zijn ontstaat.

In 1967 gaf Hermans een lezing voor de faculteitsvereniging Helios in hotel Krasnapolsky.

Helios is een acroniem voor Historie En Letteren Is Onze Studie.

De lezing heette: Kan de Tijd tekens geven.

Dat kan de tijd niet.

Volgens professor G.J.P.J. Bolland wel.

Bolland constateerde tijdens een academische les anno 1921 het verval der zeden.

Dat kwam omdat er vrouwen waren die op een fiets gingen rijden.

“Het schokken en schudden van de fiets waren zeer verderfelijk voor den vrouwelijke onderbuik, om niet te spreken van de fiets als middel tot heimelijk verkeer.”

Iets verderop krijgt het Internationale Jodendom met citaten uit de Bijbel ook nog de schuld van de verkankerdheid der wereld.  

Hier is een regelrechte antisemiet aan het woord.

Maar hij was wel populair destijds.

Toen de Duitsers Nederland hadden bezet werd de les van Bolland prompt herdrukt en in grote aantallen verspreid.

Ziedaar de Teekenen des Tijds

Het gezever over het verval der zeden is van alle tijden.

Ongehuwde moeders werden gestraft door hun baby af te pakken.

Van masturberen werd je niet alleen bleek maar je vermagerde sterk door ruggenmergtering.

Dat stond in het boekje Stomme Zonden  dat Jan Wolkers aantrof in de gereformeerde boekenkast.

Het gezin – een elftal bij elkaar – gaan een dagje naar het strand.

Dwalend door de duinen ziet de verteller een jongen die hem voorstelt om te geilpompen.

“Ik (…) keek zijn naar zijn rug, die nu hij zat nog krommer en breekbaarder leek.”

Dat komt ervan.

Het stond al in Stomme zonden.

Verderop in de duinen lag de dominee naast zijn fiets met een strooien hoed op zijn hoofd.

Dat paste helemaal niet bij een dominee, vond de jonge Jan en slaat op de vlucht.

Te frivool, of was het een luchtspiegeling?

Soms zien we iets dat er niet is omdat we bang zijn dat er iets is.

Ee zwart gat is wel iets, maar dat er tegeljikertijd niet is.

Het grote raadsel is niet dat er iets is, maar waarom er niet niets is.

 

maandag 5 januari 2026

MOSAE GARGOULEY 3 Mijn vader

 Mjn vader

Mosae Gargouley 2

[19060106]

 

Baarle Nassau is een raar dorp.

Het is helemaal vervlochten met een ander dorp: Baarle Hertog.

Het ene dorp hoort bij Nederland en het andere dorp bij België.

De meeste stukjes van Baarle -Hertog zijn omringd door stukken Baarle-Nassau.

Men noemt zulke gebieden enclaves.

Er zijn ook stukjes Nederland binnen zo’n Belgische enclave.

Als je er rondloopt ben je dan weer in Nederland en dan weer in België.

Gelukkig hebben de gemeenten de grenzen aangegeven in de straattegels, zodat je weet waar je bent.

In Zondereigen dat in België ligt, ligt ook een enclave die hoort bij Baarle-Nassau.

Daar staat nog een stuk van het dodelijke electrische hek dat de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog hebben aangelegd.

Tussen de draden zetten de bewoners een houten kratje zonder bodem, zodat iemand kon ontsnappen aan de Duitse bezetting van België.

Nederland deed niet mee aan de Eerste Wereldoorlog omdat het onafhankelijk was.

Dat Baarle-Nassau toen een smokkelgat was, moge duidelijk zijn.

Toen er In Nederland nog een zondagsluiting verplicht was voor de winkels gingen veel mensen op zondag winkelen en friet eten in Baarle. Je kunt er ook benzine tanken voor veertig cent minder dan in Nederland.

De shag is er nog goedkoop, maar het meeste bier niet meer.

Mij vader werd geboren in Baarle-Nassau op driekoningendag 1906.

Zijn vader had een sigarenfabriek en een tabakshandel; de laatste samen met de Belgische familie Janssen-Bruininckx.

De tabak kwam onder meer uit Sumatra en Brazilië.

Drie broers waren ook sigarenmakers; in Bladel, in Lage Mierde en in Arendonk.

Hun vaders en al hun voorvaderen waren boer en een enkele molenaar of pater.

Dat was zo tot aan het eind van de 19de euw.

Het Brabantse boerenland bracht weinig op en de zonen werden ondernemers in eigen bedrijfjes, m.n. in de tabak en de schoenmakerij.

Op de schaarse foto’s uit die tijd zie je mijn grootvader: een trotse man met een knevel.

Het gezin had een kindermeid en een huishoudster.

Mijn opa overleed plotseling toen mijn vader drie jaar oud was. Hij was pas 37 jaar.

Mij vader heeft dus geen directe herinnering aan zijn vader.

Mijn grootmoeder en haar oudste zoon zetten het tabaksbedrijf voort.

Mijn oma dreef ook daarnaast nog een herberg.

De fabriek en de herberg stonden recht tegenover het station.

Daar overnachtten meestal handelsreizigers op weg naar België.

Mijn vader ging vanaf zijn twaalfde of pas met zijn zestiende jaar met de stoomtrein naar de handelsschool in Tilburg.

Soms reed er een koninklijk rijtuig mee met aan boord koningin Wilhelmina.

Ze ging dan via Turnhout naar Antwerpen en vervolgens naar Brussel waar ze familie bezocht.

Onderweg overnachtte ze -niet in Baarle – maar in Riel.

Het rijtuig werd dan afgekoppeld in het station van Riel.

In Tilburg wilde ze niet komen, vanwege het liefdesleven van haar opa Willen II.

In 1928 ging mijn vader Tilburg werken bij de Volt.

Dat werd later een Philipsvestiging.

De spoorlijn Tilbug – Turnhout is nu een  fietspad.

Mijn vader was in pension bij de nazaten van de familie Janssen-Bruyninckx in Tlburg

Dat was dichter bij de Volt.

 In 1929 ging het bedrijf van mijn grootmoeder failliet.

Ze had te veel tabak ingekocht en door de crisis was ook de sigaar de sigaar.

Ze overleed in datzelfde jaar, 64 jaar oud.

Er is vast een verband tussen de crisis en haar overlijden.

De sigarenmakers hadden door de crisis veel minder tabak nodig en ze gingen failliet of fuseerden met andere sigarenmakers.

Mijn grootouders van vaderskant heb ik dus nooit gekend.

Mijn vader trouwde in 1937 met mijn moeder.

Mijn moeder overleed in 1979, ze was 72 jaar geworden.

De gouden bruiloft hebben ze dus niet gehaald.

Haar vader was wever en werkte dus, zoals bijna alle werkenden in Tilburg in een  textielfabriek.

Daar stond Tilburg vol mee.

Er waren er wel honderd.

Van die fabrieken is bijna niks meer over.

In 1944 werd ik geboren

 

Met een gezin van twee kinderen en een derde op komst was mijn vader geen oorlogsheld, op één daad na dan.

Hij werkte als boekhouder bij de Volt ,waar ze onderdelen maakte voor radio’s en seinlampen.

De hele buurt werkte trouwens bij de Volt, al waren ze niet allemaal boekhouder.

Dat ging ik de oorlog gewoon door.

De Duitse bezetters konden die spullen van de Volt goed gebruiken.

In mei 1943 m moest iedereen de radio inleveren.

Ook mijn vader.

Hij vertelde er niet bij dat hij nog een tweede radio had verstopt onder de zolderplanken.

Op een dag in 1944 belde er een buurjongen aan met de vraag of hij naar de Engelse zender op de radio van mijn vader mocht luisteren.

Hij was een maand met verlof.

Hij had zich aangemeld bij de Waffen SS om tegen die vuile communistische Russen te vechten.

Hoe wist die jongen dat mijn vader nog een radio had?

En of hij dat niet zou melden bij de Duitse autoriteiten?

Mijn vader had kunnen zeggen dat hij geen radio had.

Dat dat maar praatjes waren van de buren.

Maar waarom was hij dan zo goed op de hoogte van het nieuws van het westelijk front?

Iedereen in de buurt wist dat mijn vader nog een radio had.

Een buurtgenoot zou je niet verraden.

De geschiedenis heeft bewezen dat dat bepaald niet het geval was.

Mijn vader liet de buurjongen binnen en ze luisterden naar de BBC.

Het stond er niet best voor voor de Duitsers dan.

In het westen waren de geallieerde al tot de Rijn opgerukt.

De buurjongen ging weer terug naar het Oostfront.

Niemand heeft hem nog ooit terug gezien.

Mijn vader heeft nog nachten wakker gelegen van zijn heldendaad.

Na de oorlog werd mijn vader lid van De KVP.

Hij las kranten, Elsevier en de Haagsche Post.

Hij was politiek op de hoogte.

Tegen de verkiezingstijd hing hij affiches voor het raam met KVP lijst 2.

In die tijd haalde de KVP wel vijftig zetels, ze moest dus altijd regeren in een coalitie

De KVP en de opvolger het CDA was altijd bereid om of met de VVD of De PvdA in zo’n coalitie te stappen.

Dan pestte ik hem met de slogan: Lijst 2 CDA, geen nee geen ja CDA, Lijst2, geen ja geen nee.

Hij was overal penningmeester van, o.a. van het klokkenfonds van de parochiekerk.

De Duitsers hadden alle drie de klokken van de Broekhovense kerk gestolen om kanonslopen te gieten.

Toen ik twaalf was, werd de eerste nieuwe klok van Eijsbouts in de toren gehesen.

Toen mijn ouders verhuisden naar de Korenbloemstraat woonden ze vlak bij de kerk van pastoor Harmen, die op zondagmorgen de klokken liet luiden om de mensen op te roepen naar de mis te gaan.

Daar hadden de bewoners van de minder welgesteld wijk geen zin in en ze protesteerden tegen het lawaai van de klokken.

In de jaren tachtig gingen ze niet meer naar de kerk.

Ze waren ook boos omdat de pastoor in de preek had gezegd dat de bewoners aan de villakant van de parochie veel meer geld gaven aan de gezinsbijdrage dan die aan de arme kant.

Ze stemden ook niet meer op de KVP.

De gemeente verbood de pastoor om de klokken te luiden.

Maar daar trok Harmen zich niets van aan.

Dat kwam in de kranten te staan.

Zo werd de pastoor landelijk bekend als de klokkenluider van de kerk van Margrita Maria ã la Coque.

Mijn vader vond het een veeg teken van de tijd.

De tijd gaf tekens dat het bergafwaarts ging met de beschaving.

Dat begon eigenlijk al toen ook sommige dames gingen fietsen.

Het zadel zou hen een zekere lust kunnen bezorgen.

Dat was al in de tijd dat mijn grootvader nog trots zijn knevel droeg.

Willem Frederik Hermans vroeg zich al af of de Tijd tekens kon geven.

In 1967 gaf hij daar een lezing over  aan de studenten Nederlands van de faculteitsvereniging Helios in 1969.

Maar daarover moet je Leijsteen 14 lezen.

Dat de Russen een muur optrokken tussen West- en Oost was voor mijn vader een nagel aan zijn doodkist.

Na een lerarenreis naar Berlijn in 1987 vertelde ik hem dat de muur er niet lang meer zou staan.

Teveel mensen In Oost-Duitsland waren het systeem van corruptie en onderdrukking, maar ook hun waardeloze monopoly-geld  zat.

Mijn vader kon mij niet geloven.

De muur zou nooit verdwijnen.

Hij overleed in augustus 1989.

Drie maanden later werd de muur gesloopt.