Autobiografie en
fictie
Opmerkingen over
fictie in autobiografieën en autobiografische elementen in fictie
In Niebla, een
in 1914 verschenen boek van Miguel de Unamuno, krijgt de verteller
[uitdrukkelijk, de schrijver zelf] het aan de stok met de hoofdfiguur, omdat
deze fictieve persoon iets wil doen wat de verteller niet wil. Ook de
voorwoordschrijver wordt niet gespaard. In het na–voorwoord, stelt de schrijver
dat hij kan doen met zijn personen, wat hij wil en dat de voorwoordschrijver noch
de verhaalfiguren daar iets over te zeggen hebben. Dat de schrijver zich - tot
in het voorwoord - met zijn eigen verhaal bemoeit, omdat de hoofdfiguur eisen
begint te stellen, dat is ongebruikelijk.
In fictie maakt een auteur gebruik van een verteller om
een verhaal te vertellen over een of meer hoofdfiguren en dat met een bepaald
doel. Vaak gebruikt de schrijver autobiografische elementen, maar hij zet ze
om, verandert er naar believen van alles aan, verzint andere namen, plaatst gebeurtenissen
in een andere tijd of kader, anders gezegd hij manipuleert de feiten om ze te
onderwerpen aan zijn intentie. Waarheid en verzinsel zijn verstrengeld; ook bij
een ik-verteller.
De lezer van fictie weet dit; hij maakt a.h.w. een afspraak met de schrijver, de
lezer weet dat hij verzinsels leest. Voor een autobiografie geldt een ander
pakt: de lezer veronderstelt eerlijkheid en openheid; waarheid en duiding en
wenst juist niet gemanipuleerd te worden.
In een volmaakte autobiografie zouden verteller, hoofdfiguur [de schrijver zelf] en doel van het verhaal [het leven van de schrijver] moeten samenvallen. Is een perfecte autobiografie schrijfbaar?
Nee!
Alleen praktisch al niet, want dan moet je steeds noteren
wat je doet, denkt en beleeft en dat is dus schrijven dat je schrijft en je
beleeft dus niks, dus daar kun je dan niet over schrijven. Het leven valt samen
met het schrijven. En daarbij: wie zou dat dan willen lezen?
-zijn herinnering deugt niet
-zijn taal reikt niet .
Afgezien van de witte plakken in het brein genoemd naar
dokter Alzheimer en zijn vakbroeders is er geen groter vijand van het geheugen
dan de tijd. Want wanneer schrijf je een autobiografie? Als de tijd daar is en
die dient zich aan op een hogere leeftijd. De schrijver kijkt terug, herinnert
door een waas die hangt tussen het toen en het nu van het schrijven.
En de taal schiet tekort. Hoeveel woorden moet je
besteden aan een gebeurtenis? Alles in detail maakt het boek onmetelijk dik en
onschrijfbaar en dan de woorden zijn benaderingen om het onuitspreekbare te
benaderen. Moet ik mijn kinderjaren in een kindertaal schrijven?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten