vrijdag 22 augustus 2025

WITTGENSTEEN 4

 WITTGENSTEEN 4

Laster is de smadelijkste vorm van een leugen.

Ze kan gericht zijn op één persoon, maar ook op een hele bevolkingsgroep.

Bewijs is meestal niet nodig.

Waar rook is, is vuur.

De roeping van de mens is mens te zijn, schreef Multatuli.

Dat lijkt een tautologie.

Alles wat uitgesproken wordt, is niet altijd even helder.

Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat het de roeping van de wolf is mens te zijn.

Maar dat kan dat beest helemaal niet.

De uitspraak is een contradictie, omdat ze in strijd is met de evolutie.

Je kunt wel zeggen dat de mens een wolf is voor de medemens.

Homo homini lupus.

Dus als je een mens vergelijkt met een wolf dan is dat negatief bedoeld voor de mens.

Niet voor de wolf.

De vergelijking werkt maar één kant op.

Dat veel taaluitingen niet helder zijn, komt door al die metaforen.

Metaforen geven een beeld door middel van een vergelijkbaar beeld.

Terwijl de taal zelf al een beeld is van de feiten.

Het woord bijl is geen bijl.

Kafka vond dat een tekst als een bijl moest zijn die door het ijs klieft van je bevroren ziel.

Dat zal zeker gebeuren als je ’s morgens wakker wordt en je blijkt in een kever veranderd te zijn.

Dan moeten je huisgenoten goed opletten waar ze hun voeten neerzetten.

Dat iemand zo maar in een kever verandert, is wel absurd en in strijd met de evolutie.

Eigenlijk is de bureaucratie en de kadaverdiscipline in de boeken van Kafka nog veel absurder, maar wel realistisch.

Dat is eigenlijk nog schokkender dan dat mensen in kevers veranderen, want bureaucratie en kadaverdiscipline hebben veel mensenlevens verwoest.

In de Zaak 40/61 schreef Harry Mulisch dat Adolf Eichmann, de regisseur van de Holocaust, dat Adolf al van jongs af aan had leren gehoorzamen en dat is blijven doen bij de SS.

Hij voerde de bevelen van zijn meerderen uit.

Dat was zijn plicht en hij gehoorzaamde.

Hij probeerde hiermee zijn verantwoordelijkheid voor de massamoord af te schuiven.

Hij was maar een banale ambtenaar.

Maar de rechtbank trapte daar niet en veroordeelde hem tot de strop.

Harry Mulisch woonde in 1961 het proces tegen Eichmann bij als verslaggever.

Vanaf dan schreef hij een flink aantal boeken over de Tweede Wereldoorlog.

Mulisch zelf zei dat hij niet over de oorlog schreef, maar dat hij die oorlog zelf was.

De Aanslag gaat over de gevolgen van een moord op een NSB’er die er eer in legde om ondergedoken Joden op te sporen.

Omdat de overburen het lijk van de NSB’er op de stoep van een ander huis leggen, wordt het gezin dat daar woont door de Duitsers vermoord.

Alleen een jongeman overleeft dit.

Hij blijft zijn leven lang zoeken naar de schuldvraag.

Dat probleem wordt in wezen niet opgelost, maar juist complexer.

In de boeken van Harry Mulisch wordt het raadsel niet opgelost, maar vergroot.

Zo schreef hij ook over de ontdekking van de hemel.

Toen de hoofdpersoon van dat boek, werkzaam bij de sterrenwacht in een oude barak in Westerbork de hemel ontdekte en precies op dat moment zijn bevindingen aan de lezers zou openbaren, knalde er een meteoorsteen door het dak die alles en ieder in de barak in rook deed opgaan.

Zo’n verhaaltruc heet ook wel een deus ex machina.

Mulisch is een magiër.

Maar de lezer is geen oude Griek met zijn Godenwereld, maar een modern mens en hij voelt zich bedonderd.

De hemel wordt niet ontdekt.

Het raadsel is niet opgelost.

Het raadsel bestaat niet.

Omdat de vraag onzinnig is.

De vraag naar het wereldraadsel ligt buiten de wereld.

Daarom krijgt iemand die te dichtbij komt een meteoriet op zijn dak.

Mulisch was een groot schrijver met een prachtige paradoxale stijl, maar na zijn dood was zijn roem snel verdampt.

 

WITTGENSTEEN 3

 WITTGENSTEEN 3

 

Kafka was kantoorklerk bij een verzekeringsmaatschappij.

Vroeger hadden schrijvers nog een beroep.

Ik bedoel dat ze niet de hele dag boeken zaten te schrijven.

Een echte schrijver is iemand die de hele dag uit innerlijke noodzaak boeken moet schrijven, terwijl ze toch vaak in een café zitten.

Sartre zat de hele dag in een café te roken en te schrijven.

Zijn boek over wat literatuur is, is daar vast ontstaan.

Je kunt er geen touw aan vast knopen.

Door al die rook en de drank in dat café wordt de tekst nogal mistig en duizelig.

De tekst wordt mistig bedoel ik en de lezer duizelig.

De schrijver van de tandeloze tijd is al decennia bezig de tandeloze tijd tanden te geven.

Hij komt nooit meer in een café.

Vroeger heette deze schrijver Canaponi.

Ik neem aan dat hij toen zijn boeken op een canapé schreef.

Hij was toen best knap.

Knap betekent niet alleen slim maar ook mooi.

Maar niet iedereen die slim is ook mooi en andersom.

De taal is ambigu.

Ze speelt met ons omdat we met haar spelen.

Canaponi is wel veel dikker geworden, net als zijn boeken.

Ik denk dat hij nog wel meer geschreven heeft dan Multatuli.

En dat hij nog veel meer geleden heeft dan Multatuli.

Hij, Canaponi dan, had een zoon die is verongelukt.

Die zoon leek erg veel op Oscar Wilde.

Hij staat op de kaft van het boek.

De foto van zijn zoon Tonio als Oscar Wilde.

Als Tonio een minuutje later op weg was gegaan, dan was hij niet verongelukt.

De één noemt het toeval en domme pech, de ander lotsbeschikking.

Als - dan zinnen tonen geen feiten, maar scenario’s.

Op een bord langs de snelweg stond: ga alleen en alleen als je echt op weg moet.

Maar wie bepaalt dat?

Als je niet op weg moet, dan blijf je thuis.

Maar dat kunnen mensen niet.

Ze moeten erop uit.

Dat komt door een niet geheel uitgeselecteerd gen in de evolutie van de jager-verzamelaar.

Die was altijd onderweg.

Dat kwam omdat hij geen kamer had om in te reizen.

J.M.A. Biesheuvel had wel zo’n kamer al had hij genoeg geld om verre reizen te maken.

Maar dat deed hij niet.

Hij blijft rustig thuis op zijn studeerkamer van 3 bij 4 meter.

Heel origineel was dit idee niet.

Xavier de Maistre schreef in 1794 Voyage au tour de ma chambre.

Hij had wel op reis gewild, maar dat kon niet want hij had huisarrest.

Toch vertelt die Biesheuvel een mooi verhaal vol waar gebeurde voorvallen.

In de bibliotheek hier in de buurt staat een afdeling waar gebeurd.

Ze bedoelen  dat die verhalen niet zijn verzonnen.

Er staat ook in waar ze zijn gebeurd.

Twee keer waar.

Zo maakte een mevrouw een boek over haar broer die een grote crimineel was.

De crimineel vond dat er een hoop leugens in het boek stonden.

Er stond wel overal waar het gebeuren gebeurde.

Dus zo geredeneerd was het boek half waar.

Het boek heette trouwens Judas.

Dat is een weinig originele titel.

Er zijn heel veel boeken geschreven over Judas.

Ik heb het boek over die crimineel niet gelezen, want deze Judas heette eigenlijk Willem.

Maar iedereen weet wat een Judas is, al zullen er geen ouders zijn die hun kind zo’n voornaam durven geven.

Er zijn er wel die hun kind Josef noemen.

Niet omdat ze denken dat hij dan later onvruchtbaar blijkt en met een zwangere maagd op reis gaat.

Veel mensen geven hun kind namen waarvan ze niet weten wat die betekenen.

Ze noemen hun kind bijvoorbeeld Candy of Chris.

Of ze weten wel wat een naam betekent, bijvoorbeeld Storm.

Dan denk je toch dat je liever een Willem in de klas wil hebben dan een Storm.

Al kan dat natuurlijk ook andersom zijn.

Dat Storm heel braaf is en Willem een Judas.

Die schrijver die De Ridder heette, schreef onder een pseudoniem met de voornaam Willem.

Zijn alter ego in zijn verhalen heette trouwens Frans.

Net als Kafka, maar die schreef zijn naam als Franz.

Er zit vaak geen, maar soms, niet toevallig, wel een connectie tussen de naam van een persoon en diens karakter.

Kafka had een verhaalpersoon die Josef heette.

Hij noemde die persoon bijvoorbeeld niet Karel.

Wel had die persoon een achternaam die begon met een K.

De andere letters van die naam hoeven we niet te weten.

Je bent met zo’n initiaal al meteen een verdachte.

Josef K. wordt dan ook in de eerste zin van het boek gearresteerd, zonder dat hij iets kwaads had gedaan.

Dat lijkt onrechtvaardig, maar hij, is lang niet de enige die opgepakt en geëxecuteerd wordt, zonder dat hij enig kwaad heeft gedaan.

Hij moest wel door iemand belasterd zijn, anders werd hij niet gearresteerd.

Hij werd ook niet gearresteerd in de eerste zin, maar op zijn kamer.

 

WITTGENSTEEN 2

 WITTGENSTEEN 2

 

Er zijn mensen die denken dat er verband is tussen de spelling en de betekenis van een woord. 

Een croquette is lekkerder dan een kroket.

Of dat er een symbolisch verband is tussen een omvang en de inhoud.

Bijvoorbeeld dat iemand met een groot hoofd ook veel verstand heeft.

Kareltje de Keizer had een groot hoofd, maar hij bleef twee keer zitten in de eerste klas van het atheneum.

De leraar gaf hem nog een laatste beurt over de Latijnse naamvallen.

Kareltje sloeg meteen aan het haspelen.

Grote lantaarn, klein licht had de leraar gezegd.

Van metaforen had Kareltje ook geen verstand.

Daarom ging hij als drukkersmaatje werken bij de abdij van Averbode.

Je hebt abdijen waar ze bier brouwen.

Maar andere drukken bijvoorbeeld de Averbode.

Het verhaal over Kareltje heet trouwens Een ontgoocheling.

De schrijver schreef dat onder een verzonnen naam.

Hij was namelijk zakenman die reclame verkocht aan mosterdmakers en de spoorwegen.

Dan kun je beter niet onder je eigen naam sarcastische boeken schrijven vol ontgoochelingen, oplichters en dwaallichten.

De schrijver heette van zichzelf De Ridder.

Veel vrienden van hem wisten niet eens dat hij die boeken maakte en vroegen hem wel eens of hij dit of dat boek van Elsschot had gelezen.

Ze wilden het hem wel cadeau doen.

Maar De Ridder zei dat hij geen verzonnen teksten las.

Hij adviseerde zijn zwager om zijn geld te steken in een tankschip.

De crisis had er voor gezorgd dat er overal lege tankschepen aan de ketting lagen.

Dat was een heel andere crisis dan de coronacrisis waarbij de olieopslagtanks boordevol zaten.

Het wordt weer gauw oorlog, had de Ridder zijn zwager geadviseerd, en dat betekent dat er veel vraag naar olie komt en dus naar tankschepen.

Dat was een heel slim advies aan die zwager.

Al had het weinig met gerechtigheid te maken, maar veel met geldzucht.

De Ridder was als schrijver het tegendeel van Multatuli als dat begrip iets betekent.

Sommige lezers denken dat De Ridder kaashandelaar was, omdat hij daar een boek over schreef.

Die kaashandel werd een grote mislukking, maar dat tankschip niet.

Multatuli vergokte al zijn geld en maakte schulden terwijl hij met een jongedame de casino’s afstruinde.

Dat had hij van de zonen van Koning Willem III geleerd, zou ik denken, hoewel die een wat andere erotische voorkeur hadden dan toen fatsoenlijk werd gevonden.

Je kon ook prentbriefkaarten kopen met de afbeelding van Multatuli.

Het goede doel was de schrijver Douwes Dekker.

Toen zijn boek was verschenen werd hij woedend omdat Jacob van Lennep er van alles aan veranderd had, zoals niet verzonnen namen vervangen door sterretjes.

Daarmee had Van Lennep de angel uit het boek gehaald.

Multatuli wou de originele tekst terug, maar die was bij de uitgever zoek geraakt.

Later zou professor Stuiveling het teruggevonden manuscript laten uitgeven als de zogenaamde nulde druk.

Dat is de enige nulde druk in mijn boekenkast.

Mijn nulde druk is de zevende druk van die nulde druk.

Een groot deel van zijn leven was professor Stuiveling bezig om alle geschriften van Multatuli uit te geven, voorzien van wetenschappelijk verantwoord kritisch commentaar.

Dat heet bezorgen.

De professor als postbode.

Stuiveling moest ook nog college geven in een kerk die vol zat met studenten.

Die schreven op wat de professor zei.

Een totaal onnodige bezigheid, want het was al opgeschreven door de professor zelf.

Je zou hem ook kunnen vragen of hij dat misschien wilde kopiëren, dan kon de professor thuis blijven om zijn letterkundige praatjes voor de VARA voor te bereiden.

Of om wat grapjes te verzinnen, want die praatjes en colleges waren net zo droog als het stuifzand van de Hollandse duinen na een hete zomer.

De VARA was een omroep voor arbeiders radio-amateurs.

Als die dan zelf met een soldeerbout en wat weerstanden en spoelen een radiootje in elkaar hadden geknutseld, dan konden ze naar de geknepen doceerstem van professor Stuiveling  luisteren om aan hoger honing te komen.

Wat dat betreft was Stuiveling net als Droogstoppel.

Om de uitgebuite uurloners tot deugdzaamheid te brengen, moest de regering aan die arme mensen Bijbels of in Stuivelings geval Multatuliboeken verstrekken.

Want socialisten geloven niet in de Bijbel, maar in maatschappijkritische teksten.

Al wilden de arbeiders liever biefstukken dan toespraken.

Dus toen in 1969 het instituut van de professor werd gedemocratiseerd door een stel ongewassen langharige studenten, sloeg de socialistische professor op de vlucht naar een Belgische universiteit, hoewel het op zijn oude post toch ging om een marxistische overwinning.

En ook was het verzameld kritisch bezorgd volledig werk van Multatuli nog niet af.

En nu het wel af is, is er niemand die het leest.

Het is een heidens karwei, het bezorgen en het lezen van al die teksten in heel veel delen.

Het werk van de kaashandelaar past in één deel.

Het is ongeveer even dik als al het werk van Kafka.

Die boeken worden nog steeds gelezen.

 

WITTGENSTEEN 1

 

WITTGENSTEEN 1

 Als de wereld wordt gedefinieerd door feiten, dan horen leugens niet bij de wereld.

Toch barst het van de leugens in de wereld.

Minder morele personen verkopen leugens als waren het feiten.

Andersom kan natuurlijk ook.

Er is zelfs een president van een half werelddeel groot die ongewenste feiten leugens noemt.

Hij heeft patent op de waarheid.

Wat dat betreft lijkt hij op Droogstoppel.

Droogstoppel is een verzonnen romanfiguur in een boek van Multatuli.

Droogstoppel houdt vast aan de waarheid; voor de Bijbel maakt hij een uitzondering.

Hij houdt niet van verhalen of van poëzie, met uitzondering van die in de Bijbel.

Allemaal verzinsels en onzinnige gevoelensuitingen waar je niks aan hebt.

Je verdient meer met de handel in koffiebonen.

Droogstoppel is makelaar in koffie vandaar.

Multatuli is trouwens ook een verzinsel.

Hij heette eigenlijk Douwes Dekker.

Hij is de tegenpool van Droogstoppel.

Hij, Multatuli dan, had hem ook Dorknoper kunnen noemen.

Het zijn onsympathieke romanpersonages.

Ze staan voor de zuinige Hollander.

Een Hollander is een boekhouder of een ambtenaar en vaak allebei.

Multatuli haatte de Droogstoppels en de Knopentellers.

Zijn alter ego in zijn boek, dat van Multatuli weer, is Max Havelaar.

Dat was een emotionele man.

Hij, Douwes Dekker dan, hield veel van zijn vrouw, maar liet haar toch in de steek.

Dat was toen hij zijn boek af had en het manuscript opstuurde naar Jacob van Lennep.

Die begon het te verbeteren.

Hij, Douwes weer, was ook slordig met de boekhouding toen hij nog controleur was in dienst van het Nederlands gezag in Oost-Indië.

Havelaar wilde gerechtigheid voor de uitgebuite Javaan.

Daarom droeg hij zijn boek op aan koning Willem III.

Dat hij net zo goed niet kunnen doen.

Multatuli schreef zijn boek over Havelaar trouwens op een kaal zolderkamertje in Brussel.

Ergens, net ver bij dat zolderkamertje vandaan werd er stevig gefeest op kosten van de koloniën.

De zonen van koning Willem III verzopen en vergokten hun royale toelagen in Parijs en Brussel.

Multatuli was daar niet bij.

Hij had geen kaviaar maar honger en zijn boek moest af.

Zijn Havelaar is een irritante dwarsdrijver die waarheid en gerechtigheid zoekt, terwijl de rechtse praatjes van de hypocriete Droogstoppel in dat boek veel grappiger zijn.

Multatuli heeft het trouwens niet over slavernij, maar over uitbuiting van het volk, nota bene door het Inlandse bestuur.

Dat was andere koek dan de vloekzang van Sentot.

Die gaf de Hollanders de schuld.

De vloekzang werd in hetzelfde jaar geschreven en in dezelfde stad als de Havelaar.

Het stuk heette De laatste dag der Hollanders op Java en wat dan  onder meer gebeurt, staat hier.

Dan zullen wij uw kinderen slachten en de onzen drenken met hun bloed.

Maar die afrekening zou nog 85 jaar duren.

Als er opstanden waren dan stuurde Nederland er het leger op af.

Dat noemde ze politionele acties.

Als er een dorp van de rebellen bevrijd was, dan stond het dus in brand.

Let op het woord dus.

De rebellen waren verdwenen, maar alle bewoners waren dood of gevlucht.

Er is niet veel veranderd in de tactiek van het leger.

Laatst had het Nederlandse leger nog een munitieopslagplaats van een terroristische organisatie in Irak gebombardeerd.

Het hele dorp was weggevaagd.

Overal lagen lijken, maar niet van de terroristen.

De minister wist hier niets van.

Volgens haar dorknopers was het een precisiebombardement.

Daar ontploffen er alleen spullen, geen burgers, zoals ze die dan noemen, alsof die bommen het verschil kennen.

Multatuli had het al opgeschreven, honderdzestig jaar eerder.

De Nederlanders deden er nog bijna honderd jaar over van hun Indië afscheid te nemen.

Ook weer met politionele acties om de zogenaamde rebellen te verjagen.

Er waren geweldsexcessen, maar de premier sprak van herstel van de orde.

Woorden van bestuurders gaan niet over feiten.

Ze zeggen niet wat het geval is.

Ze doen uitspraken die ze voor waar verkopen.

Maar het zijn vertekende beelden van halve waarheden en hele leugens.

Het is best moeilijk om een uittreksel van dat boek van Multatuli te maken.

Je kunt ook alleen Saïdjah en Adinda lezen.

Dat is een apart verhaal binnen het boek van Multatuli.

Het begint als een sprookje en het eindigt in een tragedie.

Van dit soort verhalen zijn er vele varianten in de wereldliteratuur.

Net als in het gewone leven zelf.

Het is niet toevallig dat iemand een encyclopedie heeft gemaakt over het werk van Multatuli.

Je raakt al gauw de weg kwijt met al die namen en ideeën.

Douwes Dekker schreef trouwens Ideën.

Over spelling had hij ook een mening.

 

SYLLOGISME

 Syllogisme

 

Voor een syllogisme zetten we drie stappen.

Voorbeeld.

1.      Alle varkens stinken.

2.      Piet is een varken.

3.      Piet stinkt.

Dit is de standaardopbouw van een syllogisme.

1.                  Een premisse major

2.                  Een premisse minor

3.                  Ergo: de conclusie

 

 Hoe werkt het?

1.      In een verzameling x is y een eigenschap van x [je hebt dus ook andere eigenschappen

in de verzameling x].

Bijv. Alle Hollanders zijn blond.

Een eigenschap van alle Hollanders [x] is blond zijn [y]. Ze zijn bijv. ook meestal langer dan Fransen, maar dat is een andere eigenschap en er zijn ook lange Fransen. Bijv. Lange Frans.

Er zijn ook veel blonde Duitsers, maar het kenmerk van Hollanders is, dat ze allemaal blond zijn, terwijl er ook roodharige Duitsers zijn. Of dit waar is, doet even niet ter zake. De bewering is juist geformuleerd; maar ze hoeft niet waar te zijn. Daarover zo meteen.

 

De premisse major is dus een verzameling en een daaraan verbonden eigenschap: Alle Hollanders [verzameling x] zijn [verbinding] blond [eigenschap y].

Let op is/zijn betekent niet gelijk aan.

2.      Vervolgens zeggen we:

Nils is een Hollander. Dit is de premisse minor.

Het gaat hier om een deel [Nils is z] van de verzameling x. z is kleiner dan x.

3.      We mogen nu een conclusie trekken: Nils is blond. [z deelt eigenschap y met x]

Nils die Hollander is, deelt dus de eigenschap met alle Hollanders blond te zijn. Dat hij slist en duizenden andere Hollanders ook slissen, heeft daar niks mee te maken.

Foutieve syllogismen.

Een syllogisme luistert nauw. Je mag bijv. niet zeggen als premisse minor: Nils is blond; en concluderen: Nils is een Hollander. We hadden ook blonde Duitsers. Uitspraak 1 en 2  hebben geen verband omdat je Nils verbindt met het deelkenmerk van stelling 1. Zo geformuleerd is dit syllogisme onjuist. Je moet Nils verbinden met de gehele verzameling. Dan pas deelt hij die eigenschap.

Deze is van Woody Allen.     1. Alle mensen zijn sterfelijk [is waar]

                                               2. Socrates is een mens [is een feit, controleerbaar]

                                               3. Alle mensen zijn Socrates

Hier maakt Allen [voor de grap] een fout; de conclusie moet zijn dat Socrates sterfelijk is. Woody Allen verbindt niet een eigenschap van alle mensen aan Socrates, maar laat Socrates samenvallen met iedereen [z = x, zegt Allen, maar z mag maar een deel van x zijn].

                                    

Syllogismen moeten niet alleen juist geformuleerd, maar ook waar zijn.

We weten dat niet alle Hollanders blond zijn. Sommige zijn zelfs zwart. De premisse major is onwaar. Het voorbeeld aan het begin is wel juist opgebouwd; maar onwaar.

Onjuist of onwaar is dus niet hetzelfde.

Waar/onwaar moet objectief aantoonbaar zijn; een feit dus of iets wat algemeen als waarheid geaccepteerd wordt.

Bijvoorbeeld:

1.Alle mensen zijn van nature geneigd tot het goede.

2. Piet is een mens.

3. Piet is van nature geneigd tot het goede.

 

Dit syllogisme is juist geformuleerd, maar zou ik bij de tweede regel schrijven: Piet is een varken en dan concluderen: Piet is niet geneigd tot het goede; dan maak ik de fout dat de premisse major niks te maken heeft met de premisse minor. Zo’n syllogisme is onjuist.

 

Onwaar is ook de stelling dat alle Hollanders blond zijn. Dat kun je objectief controleren. Er zijn Hollanders die roodharig zijn; hun in Holland geboren overgrootvader was al roodharig.

Nu kun je natuurlijk zeggen dat roodharigen geen Hollander zijn, omdat hun verre voorouders afstamman van de Vikingen; maar dan ga je weer het begrip Hollander ter discussie stellen; wie is wel of geen Hollander. Alleen mensen die er al vele generaties wonen of allen die er zijn geboren? Al gauw zit je met je feiten in de knoop. Zijn dat wel feiten? Dat geldt natuurlijk ook voor de stelling dat alle mensen geneigd zijn tot het goede. Eigenlijk is dit meer een wens dan een algemeen geaccepteerde waarheid. We willen dat de mens tot het goede geneigd is; maar weten dat het vaak niet zo is. En ben je een strenge calvinist dat luidt de stelling dat de mens geneigd is tot alle kwaad wegens zijn verdorvenheid.

Voor een goed syllogisme moeten allebei de premissen waar zijn.

Zo blijkt dat de grootste moeilijkheid van een syllogisme niet zozeer de juiste formulering is of de juiste opbouw ervan; maar de premissen zelf, ofwel de waarheid. De algemene stelling is vaak het grootste struikelblok.

Tot hier ging het overeen zgn. categorisch syllogisme. We kennen ook  een disjunctief en een hypothetisch syllogisme.

Een disjunctief syllogisme is als volgt opgebouwd.

1.      P of Q zijn twee opties: bijv. Het regent of het is droog

2.      Niet P (P is niet het geval) Het regent niet

3.      Dan Q : Het is droog

 Dat ziet er vrij simpel uit, net als een hypothetisch syllogime.

 Het hypothetisch syllogisme is als volgt opgebouwd.

1.      Als P dan Q Als het regent wordt de weg nat

2.      Als Q dan R Als de weg nat is, wordt die glad

3.      Dan P =R  Als het regent wordt de weg glad

 Je kunt hiermee een samengesteld syllogisme opbouwen, ofwel een reeks syllogismen waarbij de conclusie weer de premisse vormt voor een voor een volgend syllogisme. Zo ontstaat de keten van een logische redenering.

maandag 7 juli 2025

Nazipropaganda

 Wanstaltige oorlogspropaganda

In de laatste week van april 2025 hield oud president van Rusland Dimitri Medvedev een toespraak voor een zaal geselecteerde jongeren op een herdenkingscomplex in Moskou dat gewijd is aan de 2eWO. Oekraine zal overwonnen worden. Hij riep op tot denazificatie niet alleeen van Oekraine maar van heel Europa. Op een achtergrond werden citaten van het Telegramkanaal van Medvedev geprojecteerd met beledigende uitspraken over Europa en de Europese leiders, met aanduidingen als kakkerlakken, insecten en blaffende honden.  (Bron: Geert Groot Koekamp – De Volkskrant, 3 mei 2025). De aanduiding kakkerlakken was precies  het woord waarmee de nazi’s de Joden bedoelden.

Wie  moet hier gedenazificeerd worden?

dinsdag 15 april 2025

Kan een machine pijn voelen?

 

Kan  een machine die au zegt ook pijn voelen?

 

Deze vraag stelt Rudy Kousbroek in de jaren tachtig in een essay dat in 1990 werd gepubliceerd in de bundel ‘Einsteins poppenhuis’.

Het is jammer dat Rudy Kousbroek niet meer leeft (hij stierf in 2010) maar het zou  interessant zijn hoe hij nu na bijna veertig jaar die vraag zou beantwoorden, Rudy Kousbroek stond erom bekend dat hij een speelse geest had, die de meest krankzinnige vragen met humor beantwoordde in een doorwrocht essay en dat hij de strijd aanbond met verspreiders van desinformatie en kunstmatige domheid. Hij had dit gemeen met een aantal schrijvende generatiegenoten: Henk Hofland -Tegels lichten- W.F. Hermans: Kan de tijd tekens geven? en Jaap van Heerden - Kan een gelovige machine paus worden? Al in de jaren tachtig was kunstmatige intelligentie een onderwerp dat kritische schrijvers bezig hield.

 

Nu ongeveer 40 jaar wordt de vraag of machines bewustzijn kunnen hebben nog interessanter omdat de makers van Kunstmatige Intelligentie beweren dat het niet lang meer zal duren of er is zo’n computergestuurde machine die bewustzijn heeft. De vraag is dus nu of zo’n machine kan bestaan.

De eerste kwestie is waarom men denkt dat dit met KI mogelijk is. KI wordt door Wikipedia gedefinieerd als ‘’het nabootsen van menselijke vaardigheden zoals het aanleren (van iets), redeneren, anticiperen en plannen om zichzelf automatisch (aan en) bij  te sturen. ’En: ‘een superintelligent computersysteem zou in staat zijn de mens op elk vlak te verslaan  met inbegrip van wetenschappelijke creativiteit, algemene kennis en sociale vaardigheden.’  Dat is nogal wat. Omdat dit vooral vaardigheden zijn die op het gebied van de taal liggen (kennis verwerven, redeneren) is het ontwikkelen van een taalmodel van groot belang. 

Voor het 'trainen' van AI-systemen worden miljarden tekstfragmenten en afbeeldingen uit het internet gebruikt en zonder bronvermelding in de resultaten verwerkt. Hier past even een persoonlijke noot. Toen ik zeven jaar geleden druk bezig was met het schrijven van een boek kreeg ik via het correctievenster van Google of Microsoft het verzoek of ze mijn teksten mochten gebruiken voor onderzoek (welk onderzoek vermeldden ze niet).  Dit was dus voor wat nu LLM heet: Large Language Model. Dit is ‘een specifieke techniek binnen kunstmatige intelligentie. Die enorme hoeveelheid tekstdata stelt het model in staat om allerlei soorten teksten te ‘begrijpen, vragen te beantwoorden, zinnen af te maken, en nieuwe teksten te generen die menselijk overkomen.’

 

Door het voortdurend trainen van deze AI modellen (machine learning) en door de enorme toename van geheugenopslag is Chat GPT de laatste jaren snel opgekomen; vandaar de hoogmoed van sommige ontwikkelaars dat zij uiteindelijk een computersysteem kunnen maken dat zich van zichzelf bewust is, dat pijn kan voelen.

 

Dat brengt ons bij de tweede kwestie. Wat is bewustzijn?

Daarvoor bekijk ik een op You Tube een opname van twee colleges van Jacob Jolij. Jolij is cognitief neurowetenschaper aan de Groningse universiteit en doet onderzoek  naar  bewustzijn.  Het antwoord in eerste instantie is simpel: mind (geest/bewustzijn) is wat het brein doet; bewustzijn is een product van onze hersenen, is wat ons tot mens maakt. Jolij vindt dit een beperkte definitie en wil daarom verder onderzoek doen. Hoe  werkt dat met die zenuwcellen en synapsen (wat het brein doet) en zelfs wat doen dan al die kwantumdeeltjes in ons brein, wanneer we een bewuste ervaring hebben. Is er een verband tussen wat in ons brein gebeurt en de toestand van deeltjes in het universum? 

In het tweede college probeert Jolij hierop een antwoord te vinden; hoe bewustzijnservaringen passen in een natuurkundig model. Wat is de koppeling  tussen ons denkvermogen en de kwantummechanica? Omdat in ons brein allerlei ervaringsdeeltjes (qualia) rondzwerven maken die deel uit van het universum. Een bepaalde kwantumdeeltjestoestand hoort bij een bepaalde bewustzijnstoestand, Jolij heeft geprobeerd of een collectieve bewustzijnstoestand m.n. op festivals (omdat festivalbezoekers een collectieve ervaring delen) invloed hebben op meetapparatuur door het plaatsen van nummergeneratoren op het festivalterrein van Lowlands. Heeft de collectieve denkkracht invloed op die gegenereerde  getallenreeksen? Er gebeurde wel iets met die nummergeneratoren, maar de uitkomst van het onderzoek is moeilijk te duiden; want in een vergelijkbaar onderzoek gebeurde er niets. En: ‘Op scans is dat bewustzijn niet zichtbaar. Je ziet hersenactiviteit die je kunt relateren aan wat een onderzoekdeelnemer doet of rapporteert. Maar het is niet de bewuste ervaring zelf. Die kun je niet meten, die blijft ongrijpbaar.’ Anders gezegd: Jolij heeft niets aangetoond, dus hadden we onze tijd maar niet verspild aan You tube filmpjes, maar een boek gelezen, zoals De Maniac van Benjamin Labatut. Hoewel op de titelpagina staat dat dit een roman is, gaat het over een bestaand persoon en over een machine (vandaar de c ook in de vertaalde versie) die hij gebouwd heeft; respectievelijk John von Neumann en de computer, allebei De MANIAC

Neumann was als geniaal wiskundige al betrokken bij de bij de bouw van de eerste atoombommen die tegen Japan gebruikt werden ofwel het Manhattan project in Los Alamos. Gek genoeg komt von Neumann in de film Oppenheimer niet voor.

 

 

‘Een algoritme-technologie zoals het menselijk brein is nog niet voor vandaag of in de verre toekomst. De kracht van de menselijke intelligentie is dat mensen razendsnel van gedachten kunnen wisselen en inspelen op onverwachte situaties. De basishandelingen van een mens worden automatisch aangestuurd door de hersenen. Zodra iemand een bepaalde vaardigheid niet bezit, gaat hij nadenken [-] wat leidt tot nieuwe beslissingen en leervermogen.' Maar ‘Een kunstmatig neuraal netwerk is niet hetzelfde als een biologisch neuraal netwerk. Een kunstmatig neuraal netwerk wordt met een technologie  gerealiseerd, terwijl een biologisch neuraal netwerk (zenuwcellen en synapsen) bepaalt hoe mensen kunnen denken.’ En dan is er nog intuïtie: een ingeving, een vorm van direct weten zonder dat dit beredeneerd is.  Hoe je dat in een logisch model moet inbouwen is een raadsel.

 

Het is zoals Rudy Kousbroek is al veertig jaar geleden schrijft: ‘Van de belangrijkste en karakteristiekste der bewuste mentale verschijnselen begrijpen wij vrijwel niets. [… ]Kortom, er is geen model voor het bewustzijn. [i]

 



[i] Rudy Kousboek: Einsteins poppenhuis. In de gelijknamige bundel, Meulenhoff, 1990. De overige citaten komen van Wikipedia.