donderdag 8 januari 2026

LEIJSTEEN 16

 

LEIJSTEEN 16

 Jantje zag eens pruimen hangen

O als eieren zo groot

De tuinman zag zijn bolle wangen

En sloeg de vuile gapper dood

 Zo ging het natuurlijk niet eind 18de eeuw.

Het gezond verstand was de baas.

Jantje gapt geen pruimen, want waarom zou hij ongehoorzaam wezen?

Natuurlijk niet.

Zijn vader had de hardop gesproken overweging gehoord en beloonde de verstandige Jantje met een hoed vol pruimen.

Zo had Jantje nog meer pruimen dan wanneer hij ze gestolen had.

De deugd wordt beloond.

En het verstand gewaardeerd.

Zo had je Justus van Effen die naar Engels voorbeeld een tijdschrift volschreef met verstandige redenaties waarin voors en tegens werden afgewogen.

Dat tijdschrift heette De Hollandsche Spectator en Van Effen hield het vier jaar vol tot 1735.

Het bestond uit twee gevouwen en gebrocheerde vellen papier, dus totaal acht bladzijden.

Toch had zijn blaadje veel invloed.

Van Effen werd wegens verdiensten voor de Engelse cultuur – hij vertaalde Engelse boeken en The Spectator in het Frans en Nederlands - zelfs benoemd tot lid van de Royal Society.

Kom daar nu maar eens om.

In Frankrijk grepen eerst de revolutionairen de macht en maakte de adel en kopje kleiner. Voortaan was iedereen gelijk.

Dat duurde niet lang.

Nadat Napoleon een aantal verstandige maatgelen had genomen, leek het hem een goed idee om heel Europa te veroveren.

Dat liep vooral in Rusland niet goed af.

Toen Napoleon bij Waterloo uiteindelijk verslagen was, had men liever geen revolutie of oorlog meer.

De burgerij wilde rust, reinheid en regelmaat.

Zo had je de brave Pieter Stastok in een verhaal van Nicolaas Beets.

In dat verhaal gaat Hildebrand – een pseudoniem van Nicolaas – op bezoek bij de familie Stastok.

Het is donderdag en die dag komt een beetje ongemakkelijk uit omdat dan altijd de zitkamer wordt schoongemaakt.

Pieters vader deed elke middags eerst een dutje, werd wakker van het geratel van de diligence, keek op zijn horloge of het wel precies twee uur was en opende dan de kast voor de drankfles, vulde een glaasje en genoot dan van zijn dagelijkse bittertje.

Over rust, reinheid en regelmaat gesproken.

Verstandige mensen, maar met weinig emoties.

In die tijd schreef Goethe Die Leiden des jungen Werthers.

Die Werther ging dood van liefdesverdriet.

Tenminste hij had liefdesverdriet en pleegde zelfmoord.

Het schijnt dat vele jongeren zijn voorbeeld volgden.

Hun verstand werd weggespoeld door hun heftige emoties.

Het sentimentalisme was geboren.

Dat riep al spoedig de spotlust op van andere schrijvers

Piet Paaltjens die eigenlijk Francois Haverschmidt heette, schreef geestrijke spotgedichten.

Hij spotte zelfs met de zelfmoordenaar.

Dat zou tegenwoordig niet meer op prijs worden gesteld, toen trouwens ook niet.

Je moet nu meteen het telefoonnummer van zelfmoordpreventie onder zo’n tekst zetten.

In de 19de eeuw had je nog geen telefoon, dus ook geen preventie.

Het navrante is dat Haverschmidt toen hij dominee was en bekend stond als een zwaarmoedige predikant zelfmoord pleegde door zich net als de zelfmoordenaar in zijn spotgedicht, op te hangen.

Ook de deugd leed schipbreuk

Multatuli maakte korte metten met de deugd.

Droogstoppel had een huisknecht die te oud werd om nog te werken.

De huisknecht had jarenlang zonder klagen zijn plicht gedaan.

Nu moet hij naar een ameluidenhuis.

Wordt hij beloond om zijn deugdzaamheid?

Nee, zegt Droogsptoppel, natuurlijk niet.

Hij kom niet op het idee om de arme knecht een pensioen te geven.

Hij belegt liever zijn geld in de Nederlandsche Handelmaatschappij die dat geld o.a. weer belegt in de koffiehandel.

De koffiehandelaren verdienden toen goed geld aan de koffie.

De slaven die op de koffieplantages werkten, die kregen alleen slaag.

Dat zou tegenwoordig niet meer op prijs worden gesteld, toen door abolitionisten ook niet.

Nu is de slavernij wel afgeschaft, maar evengoed verdienen de handelaren nog steeds veel geld met speculatie in de koffiehandel.

De koffieprijs stijgt veel harder dan de inflatie.

Maar daar merken de koffieboeren niets van, behalve als je Havelaarkoffie koopt.

Deze koffie is genoemd naar Max Havelaar, het boek van Multatuli.

Zo zie je maar dat literatuur nog ergens goed voor is.

De afschaffing van de slavernij werd ook bevorderd door een boek: De negerhut van oom Tom van Harriet Beecher Stowe.

Als Trump toen president van Amerika was geweest, had hij dat boek verboden.

De geschiedenis laat zien dat boeken vaak verboden worden.

Dictators houden niet van kritische kranten, tijdschriften en boeken; ze zijn niet gesteld op vrije denkers.

In de V.S. worden boeken uit de bibliotheken gehaald omdat ze niet fatsoenlijk zijn.

De brave Nederlandse literatuur van de 19de eeuw hoefde men niet te verbieden.

Je zou dat de tandeloze literatuur kunnen noemen.

Een paar schrijvers vonden dat ook.

Ze richtten een tijdschrift op en noemde dat de Gids.

Dit tijdschrift werd in 1837 opgericht door Potgieter en Robidée van der Aa.

De scherpste criticus van dit tijdschrift was Busken Huet.

Het puntje van een scherpe pen, is het felste wapen dat ik ken, schreef Jacob Cats al twee eeuwen eerder.

Busken Huet schreef lange kritieken en werd nogal gevreesd in de vaderlandse literaire kneutertuin.

Toen De Gids een beetje ingedommeld was werd de Nieuwe Gids opgericht.

Dit tijdschrift ging door gebrek aan lezers ten onder tijdens de Duitse bezetting.

De Gids bestaat nog steeds.

Je krijgt die gratis bij de Groene Amsterdammer.

De Groene van 1877 is het laatste kritische en culturele weekblad dat nog steeds verschijnt.

woensdag 7 januari 2026

LEIJSTEEN 15

 LEIJSTEEN 15

 

Misschien zit ons hele heelal wel in een zwart gat.

Misschien zit dat enorme zwarte gat weer in een ander zwart gat,

Misschien zijn er dan nog meer heelallen.

Dat is het matroesjkapoppetjesmodel.

Zwarte gaten kun je eigenlijk niet zien; zo donker zijn ze.

Ze slokken alle energie uit hun omgeving op

Ik denk dat de Nederlandse literatuur ook vlak bij zo’n zwart gat zit.

Het is er een slappe futloze boel.

Maartje Wortel schreef onlangs het boek Camping.

Het is zo’n camping met veel vaste en wat rare gasten.

Op zich is dat wel vermakelijk, maar waar gaat het boek eigenlijk  over?

Volgens Tzum zou het boek een spiegel zijn van onze maatschappij.

Omdat de camping vol zit met drop-outs en daklozen

Dan is er iets mis met de spiegel of met het maatschappijbeeld van recensent Peppelenbos.

Het einde is nogal onverwacht en slaat nergens op, maar dat moet u zelf maar lezen.

Voor zijn boek Uit het leven van een hond kreeg Sander Kollaard de Libris literatuurprijs.

Er komt inderdaad een hond in voor.

De hond is nogal ziek.

Maar dat is niet de hoofdpersoon.

Dat is Henk.

Henk is een lullige vent die maar wat aanrommelt in zijn leven.

Vooral in de liefde of het gebrek daar aan.

Goed beschouwd is de hoofdpersoon zelf een zieke hond.

Om de Librisprijs te winnen moet de jury uit bijna vijfhonderd door de uitgevers als literatuur aangemerkte Nederlandstalige boeken selecteren.

De Vlamingen mogen dus ook meedoen.

Bijna vijfhonderd literaire werken per jaar kan geen enkel mens in een jaar lezen, dus hoe gaat dat selecteren dan?

Uit die selectie komt een longlist tot stand en de boeken worden dan verdeeld over een aantal juryleden.

Na deze leesronde maken die een shortlist, waaruit de winnaar wordt gekozen.

De literatuur als wedstrijd met de boekverkopers en de uitgevers als sponsors.

Omdat er veel mensen zijn die zich graag laten kwetsen en dan boos worden, kiest de jury blijkbaar voor boeken die niemand kan kwetsen.

De braafheid wordt beloond net zoals in Jantje zag eens pruimen hangen.

De brave 18de en 19de eeuw komen terug.

 

W.F Hermans vond dat er maar één echte schrijver is, en dat is; jawel Multatuli.

Voor de rest had hij weinig waardering.

Voor Hermans bevond die rest, dus alle schrijvers op Multatuli na, zich in een zwart gat.

Of om Hermans woorden te gebruiken: in een muizenhol.

Vondels toneelstukken zijn praatstukken; er wordt niets gedaan.

De dramatische handeling is beneden peil.

Er wordt niet getoond maar verteld.

Met de  tijdgenoten van Vondel is het al niet beter gesteld.

Constantijn Huygens en P.C. Hooft schreven nauwelijks behoorlijk Nederlands.

Alleen Focquenbroch kon er mee door.

Focquenbroch was een satiricus en dreef de spot met alles en iedereen.

Dat was waarom Hermans hem boven al die anderen waardeerde.

Met de literatuur in de 18de eeuw was het nog droeviger gesteld.

Betje Wolff en Aagje Deken zijn na-apers van het bastaardgenre: de roman in brieven.

Hildebrand schreef huiskamertjesliteratuur.

De familie Stastok is daar een mooi voorbeeld van.

Het spannendste moment van de dag is waarop de diligence voorbij komt.

Dan pakt de oude Stastok zijn vestzakhorloge om te controleren of de koets wel precies op tijd het huis passeert.

Benepenheid en gebrek aan heroïek.

De Tachtigers – een groepje jongemannen die het rijdschrift De Nieuwe Gis oprichtten in 1885 hadden hoogdravende woorden en uitweidingen nodig om hun onbenullige thema’s op te krikken.

Ook de twintigste eeuwers vallen door de mand.

Du Perron kan nog enige waardering krijgen van Hermans.

Zijn boek De man van Lebak (dat is Multatuli) vindt hij een knappe biografie.

Maar de vorm of vent discussie vindt  hij van secundair belang.

Aan Menno ter Braak had Hermans een onbegrensde hekel.

Zijn literaire prestaties lijken op die van een kanselprediker.

Met zijn troebel taalgebruik behandelt hij zwaarwichtige kwesties.

Allemaal napraterij.

Hermans drijft de spot met Ter Braaks zelfmoord.

Een daad van misplaatste angst.

Naast Du Perron, konden alleen Bordewijk en de dichters Hendrik de Vries, Slauerhoff en Lucebert op waardering rekenen.

Woorden van Hermans via Ronald Havenaar in zijn boek Nederland volgens WFH.

Behalve veel kritieken, verhalen en romans heeft WFH ook een zes toneelstukken geschreven. Met het stuk over King Kong kreeg hij ruzie met de NTS (de Nederlandse televisiestichting) omdat volgens Hermans Lindemans (de echte naam van King Kong) geheime informatie had doorgegeven aan de Duitsers, althans dat werd beweerd.

Lindemans zou door zijn vriendschap met Prins Bernhard aan die geheime informatie gekomen zijn.

Bekend is dat Bernhard nogal slordig omging met zijn papieren.

Daardoor mislukte de inname van de brug bij Arnhem, die belangrijk was om door te stoten naar Oost-Nederland waardoor de Duitse bezetters in de tang kwamen te zittend en de bevrijding van geheel Nederland nog voor de winter van 19444 kon geschieden.

Door die informatie was het offensief ‘een brug te ver’ en duurde de bezetting nog zeven maanden langer.

Dr. Lou de Jong, de directeur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie was van mening dat Lindemans niet over die informatie kon beschikken.

De omroep besloot het toneelstuk niet vertonen.

King Kong, het toneelstuk dan, is een stuk waarin meer wordt gepraat, dan getoond.

Het is nl. een verhoor van de onderzoekscommissie.

Hermans laat er voor de actie wel een stel demonstranten optreden, maar daarmee wordt het stuk niet beter, eerder potsierlijk.

Het dramatisch werk van Hermans was geen succes.

Net veel geleerd van de praatstukken van Vondel.

 

LEIJSTEEN 14

 LEIJSTEEN 14

In 1951 verscheen Ik heb altijd gelijk van Willem Frederik Hermans.

Dit ‘ik’ slaat op de hoofpersoon, ene Lodewijk Stegman, maar indirect op Hermans zelf, want die spreekt met de mond van Stegman.

Op bladzijde 26 (van de herziene druk) wordt het katholieke volksdeel beledigd.

“Die katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar díe naaien er op los. Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen.[…] Over twintig jaar hebben de katholieken in Nederland de meerderheid.”

In 1952 stond Hermans voor de rechter omdat hij wegens belediging was aangeklaagd.

Er ontstond veel ophef, inbeslagnames en volgeschreven kranten.

Hermans werd vrijgesproken, omdat  “de gebezigde woorden in de mond worden gelegd aan en worden weergegeven als gedachten van een in de roman voorkomende persoon, die in de loop van het verhaal wordt voorgesteld als een verlopen, drankzuchtige, wegens corruptie in het leger gedegradeerde psychopaath, die zijn afkeer tegen het leven en tegen de Nederlandse zeden, gebruiken en opvattingen in ruwe taal uit, daarbij de gevoelens zijner medemensen - onverschillig of deze tot de katholieke of tot een andere bevolkingsgroep behoren - niet sparende. “

Dat zei het hof.

Ruwe taal.

Ludwig Wittgenstein, Hermans’ lievelingsfilosoof, was zich ervan bewust dat hij filosofie bedreef in een gecorrumpeerde, ongezuiverde taal.

Beledigen is in Nederland toegestaan als dat gebeurt met de taal van een verhaalpersoon.

Je kunt dat beter niet doen in het huidige Rusland.

Sinds dit proces werd beledigen een nieuw fenomeen in de romankunst.

Of beter gezegd het zich beledigd voelen.

Na Hermans kwam Gerard Kornelis van ‘’t Reve met een passage waarin hij copuleerde met God in de gedaante van een ezel om wiens hoeven hij – Reve- zwachtels had gedaan om geen schade toe te brengen als God spartelend klaarkwam.

Hermans vond later dat zijn voormalige vriend zich verloor in de ambitie een verdachte geur van heiligheid te verspreiden ‘met de ezelspoep nog aan zijn piemeltje’.

Reve nam niet eens de moeite om dit te laten vertellen door een verhaalfiguur of anders gezegd de verhaalfiguur was Reve zelf.

Het proces wegens belediging werd bekend onder de naam ‘ezelsproces’.

Ook Reve werd vrijgesproken.

Mensen voelden zich niettemin beledigd door de vrijmoedigheid van Reve en ook van Jan Wolkers.

Niettemin werden  Kort Amerikaans en Turks fruit in massa-oplagen verkocht en ook de verfilming van Turks Fruit kon op massaal bezoek rekenen.

Jan Wolkers was een sympathieke man, wat niet gezegd kan worden van de misantrope Willem Frederik Hermans en de niettemin begaafde maar arrogante Harry Mulisch.

Hermans noemde Mulisch een kale opschepper.

Met Mulisch was Hermans ook gebrouilleerd.

In Liesje in Luiletterland komt Mulisch voor als de best gekapte schrijver van Nederland.

Hij ontvangt dagelijks vrouwelijke fans, die in een wachtkamer wachten op een beurt.

In zo’n beurt heft hij het niet-zijn bij hen op door het te vullen met zijn Zijn waardoor er een gloedvol wel-zijn ontstaat.

In 1967 gaf Hermans een lezing voor de faculteitsvereniging Helios in hotel Krasnapolsky.

Helios is een acroniem voor Historie En Letteren Is Onze Studie.

De lezing heette: Kan de Tijd tekens geven.

Dat kan de tijd niet.

Volgens professor G.J.P.J. Bolland wel.

Bolland constateerde tijdens een academische les anno 1921 het verval der zeden.

Dat kwam omdat er vrouwen waren die op een fiets gingen rijden.

“Het schokken en schudden van de fiets waren zeer verderfelijk voor den vrouwelijke onderbuik, om niet te spreken van de fiets als middel tot heimelijk verkeer.”

Iets verderop krijgt het Internationale Jodendom met citaten uit de Bijbel ook nog de schuld van de verkankerdheid der wereld.  

Hier is een regelrechte antisemiet aan het woord.

Maar hij was wel populair destijds.

Toen de Duitsers Nederland hadden bezet werd de les van Bolland prompt herdrukt en in grote aantallen verspreid.

Ziedaar de Teekenen des Tijds

Het gezever over het verval der zeden is van alle tijden.

Ongehuwde moeders werden gestraft door hun baby af te pakken.

Van masturberen werd je niet alleen bleek maar je vermagerde sterk door ruggenmergtering.

Dat stond in het boekje Stomme Zonden  dat Jan Wolkers aantrof in de gereformeerde boekenkast.

Het gezin – een elftal bij elkaar – gaan een dagje naar het strand.

Dwalend door de duinen ziet de verteller een jongen die hem voorstelt om te geilpompen.

“Ik (…) keek zijn naar zijn rug, die nu hij zat nog krommer en breekbaarder leek.”

Dat komt ervan.

Het stond al in Stomme zonden.

Verderop in de duinen lag de dominee naast zijn fiets met een strooien hoed op zijn hoofd.

Dat paste helemaal niet bij een dominee, vond de jonge Jan en slaat op de vlucht.

Te frivool, of was het een luchtspiegeling?

Soms zien we iets dat er niet is omdat we bang zijn dat er iets is.

Ee zwart gat is wel iets, maar dat er tegeljikertijd niet is.

Het grote raadsel is niet dat er iets is, maar waarom er niet niets is.

 

maandag 5 januari 2026

MOSAE GARGOULEY 3 Mijn vader

 Mjn vader

Mosae Gargouley 2

[19060106]

 

Baarle Nassau is een raar dorp.

Het is helemaal vervlochten met een ander dorp: Baarle Hertog.

Het ene dorp hoort bij Nederland en het andere dorp bij België.

De meeste stukjes van Baarle -Hertog zijn omringd door stukken Baarle-Nassau.

Men noemt zulke gebieden enclaves.

Er zijn ook stukjes Nederland binnen zo’n Belgische enclave.

Als je er rondloopt ben je dan weer in Nederland en dan weer in België.

Gelukkig hebben de gemeenten de grenzen aangegeven in de straattegels, zodat je weet waar je bent.

In Zondereigen dat in België ligt, ligt ook een enclave die hoort bij Baarle-Nassau.

Daar staat nog een stuk van het dodelijke electrische hek dat de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog hebben aangelegd.

Tussen de draden zetten de bewoners een houten kratje zonder bodem, zodat iemand kon ontsnappen aan de Duitse bezetting van België.

Nederland deed niet mee aan de Eerste Wereldoorlog omdat het onafhankelijk was.

Dat Baarle-Nassau toen een smokkelgat was, moge duidelijk zijn.

Toen er In Nederland nog een zondagsluiting verplicht was voor de winkels gingen veel mensen op zondag winkelen en friet eten in Baarle. Je kunt er ook benzine tanken voor veertig cent minder dan in Nederland.

De shag is er nog goedkoop, maar het meeste bier niet meer.

Mij vader werd geboren in Baarle-Nassau op driekoningendag 1906.

Zijn vader had een sigarenfabriek en een tabakshandel; de laatste samen met de Belgische familie Janssen-Bruininckx.

De tabak kwam onder meer uit Sumatra en Brazilië.

Drie broers waren ook sigarenmakers; in Bladel, in Lage Mierde en in Arendonk.

Hun vaders en al hun voorvaderen waren boer en een enkele molenaar of pater.

Dat was zo tot aan het eind van de 19de euw.

Het Brabantse boerenland bracht weinig op en de zonen werden ondernemers in eigen bedrijfjes, m.n. in de tabak en de schoenmakerij.

Op de schaarse foto’s uit die tijd zie je mijn grootvader: een trotse man met een knevel.

Het gezin had een kindermeid en een huishoudster.

Mijn opa overleed plotseling toen mijn vader drie jaar oud was. Hij was pas 37 jaar.

Mij vader heeft dus geen directe herinnering aan zijn vader.

Mijn grootmoeder en haar oudste zoon zetten het tabaksbedrijf voort.

Mijn oma dreef ook daarnaast nog een herberg.

De fabriek en de herberg stonden recht tegenover het station.

Daar overnachtten meestal handelsreizigers op weg naar België.

Mijn vader ging vanaf zijn twaalfde of pas met zijn zestiende jaar met de stoomtrein naar de handelsschool in Tilburg.

Soms reed er een koninklijk rijtuig mee met aan boord koningin Wilhelmina.

Ze ging dan via Turnhout naar Antwerpen en vervolgens naar Brussel waar ze familie bezocht.

Onderweg overnachtte ze -niet in Baarle – maar in Riel.

Het rijtuig werd dan afgekoppeld in het station van Riel.

In Tilburg wilde ze niet komen, vanwege het liefdesleven van haar opa Willen II.

In 1928 ging mijn vader Tilburg werken bij de Volt.

Dat werd later een Philipsvestiging.

De spoorlijn Tilbug – Turnhout is nu een  fietspad.

Mijn vader was in pension bij de nazaten van de familie Janssen-Bruyninckx in Tlburg

Dat was dichter bij de Volt.

 In 1929 ging het bedrijf van mijn grootmoeder failliet.

Ze had te veel tabak ingekocht en door de crisis was ook de sigaar de sigaar.

Ze overleed in datzelfde jaar, 64 jaar oud.

Er is vast een verband tussen de crisis en haar overlijden.

De sigarenmakers hadden door de crisis veel minder tabak nodig en ze gingen failliet of fuseerden met andere sigarenmakers.

Mijn grootouders van vaderskant heb ik dus nooit gekend.

Mijn vader trouwde in 1937 met mijn moeder.

Mijn moeder overleed in 1979, ze was 72 jaar geworden.

De gouden bruiloft hebben ze dus niet gehaald.

Haar vader was wever en werkte dus, zoals bijna alle werkenden in Tilburg in een  textielfabriek.

Daar stond Tilburg vol mee.

Er waren er wel honderd.

Van die fabrieken is bijna niks meer over.

In 1944 werd ik geboren

 

Met een gezin van twee kinderen en een derde op komst was mijn vader geen oorlogsheld, op één daad na dan.

Hij werkte als boekhouder bij de Volt ,waar ze onderdelen maakte voor radio’s en seinlampen.

De hele buurt werkte trouwens bij de Volt, al waren ze niet allemaal boekhouder.

Dat ging ik de oorlog gewoon door.

De Duitse bezetters konden die spullen van de Volt goed gebruiken.

In mei 1943 m moest iedereen de radio inleveren.

Ook mijn vader.

Hij vertelde er niet bij dat hij nog een tweede radio had verstopt onder de zolderplanken.

Op een dag in 1944 belde er een buurjongen aan met de vraag of hij naar de Engelse zender op de radio van mijn vader mocht luisteren.

Hij was een maand met verlof.

Hij had zich aangemeld bij de Waffen SS om tegen die vuile communistische Russen te vechten.

Hoe wist die jongen dat mijn vader nog een radio had?

En of hij dat niet zou melden bij de Duitse autoriteiten?

Mijn vader had kunnen zeggen dat hij geen radio had.

Dat dat maar praatjes waren van de buren.

Maar waarom was hij dan zo goed op de hoogte van het nieuws van het westelijk front?

Iedereen in de buurt wist dat mijn vader nog een radio had.

Een buurtgenoot zou je niet verraden.

De geschiedenis heeft bewezen dat dat bepaald niet het geval was.

Mijn vader liet de buurjongen binnen en ze luisterden naar de BBC.

Het stond er niet best voor voor de Duitsers dan.

In het westen waren de geallieerde al tot de Rijn opgerukt.

De buurjongen ging weer terug naar het Oostfront.

Niemand heeft hem nog ooit terug gezien.

Mijn vader heeft nog nachten wakker gelegen van zijn heldendaad.

Na de oorlog werd mijn vader lid van De KVP.

Hij las kranten, Elsevier en de Haagsche Post.

Hij was politiek op de hoogte.

Tegen de verkiezingstijd hing hij affiches voor het raam met KVP lijst 2.

In die tijd haalde de KVP wel vijftig zetels, ze moest dus altijd regeren in een coalitie

De KVP en de opvolger het CDA was altijd bereid om of met de VVD of De PvdA in zo’n coalitie te stappen.

Dan pestte ik hem met de slogan: Lijst 2 CDA, geen nee geen ja CDA, Lijst2, geen ja geen nee.

Hij was overal penningmeester van, o.a. van het klokkenfonds van de parochiekerk.

De Duitsers hadden alle drie de klokken van de Broekhovense kerk gestolen om kanonslopen te gieten.

Toen ik twaalf was, werd de eerste nieuwe klok van Eijsbouts in de toren gehesen.

Toen mijn ouders verhuisden naar de Korenbloemstraat woonden ze vlak bij de kerk van pastoor Harmen, die op zondagmorgen de klokken liet luiden om de mensen op te roepen naar de mis te gaan.

Daar hadden de bewoners van de minder welgesteld wijk geen zin in en ze protesteerden tegen het lawaai van de klokken.

In de jaren tachtig gingen ze niet meer naar de kerk.

Ze waren ook boos omdat de pastoor in de preek had gezegd dat de bewoners aan de villakant van de parochie veel meer geld gaven aan de gezinsbijdrage dan die aan de arme kant.

Ze stemden ook niet meer op de KVP.

De gemeente verbood de pastoor om de klokken te luiden.

Maar daar trok Harmen zich niets van aan.

Dat kwam in de kranten te staan.

Zo werd de pastoor landelijk bekend als de klokkenluider van de kerk van Margrita Maria ã la Coque.

Mijn vader vond het een veeg teken van de tijd.

De tijd gaf tekens dat het bergafwaarts ging met de beschaving.

Dat begon eigenlijk al toen ook sommige dames gingen fietsen.

Het zadel zou hen een zekere lust kunnen bezorgen.

Dat was al in de tijd dat mijn grootvader nog trots zijn knevel droeg.

Willem Frederik Hermans vroeg zich al af of de Tijd tekens kon geven.

In 1967 gaf hij daar een lezing over  aan de studenten Nederlands van de faculteitsvereniging Helios in 1969.

Maar daarover moet je Leijsteen 14 lezen.

Dat de Russen een muur optrokken tussen West- en Oost was voor mijn vader een nagel aan zijn doodkist.

Na een lerarenreis naar Berlijn in 1987 vertelde ik hem dat de muur er niet lang meer zou staan.

Teveel mensen In Oost-Duitsland waren het systeem van corruptie en onderdrukking, maar ook hun waardeloze monopoly-geld  zat.

Mijn vader kon mij niet geloven.

De muur zou nooit verdwijnen.

Hij overleed in augustus 1989.

Drie maanden later werd de muur gesloopt.

 

LEIJSTEEN 13

 LEIJSTEEN 13

 

Het is misschien opgevallen, maar er ontbreekt iets in alle vorige Leijstenen en Wittgenstenen.

Tegenwoordig zeggen ze: er mist iets.

Maar we gaan het niet over het weer hebben.

Wat of wie er ontbreekt is niet onbelangrijk; erg belangrijk dus.

Dat zijn de vrouwelijke schrijvers.

Hoe komt dat?

Geen idee; de mannelijke blik misschien, blinde vlekken, maar geen opzet.

In 1961 publiceerde W. van Leeuwen de bloemlezing: Nieuwe romanciers.

Het ging om vijfentwintig schrijvers.

Dat weet ik dankzij Opheffer in De Groene Amsterdammer.

Wie waren de nieuwe romanciers in 1961.

Ik zal er hier een aantal noemen: Theo van der Wal, Elisabeth de Jong-Keesing, J. van de Walle, Rudi van Vlaanderen.

Wie weet nog wie dat zijn?

Van Leeuwen noemt ook W.F. Hermans en Harry Mulisch.

Dat dan weer wel.

Er waren maar drie vrouwen bij.

Dus ik ben niet de enige met die blinde vlekken.

Eentje staat hierboven genoemd.

De andere twee waren Anna Blaman en Hella Haasse.

Hun namen hebben de 21e eeuw nog gehaald.

In 2005 werd in Rotterdam nog een Anna Blaman festival gehouden.

En in 2008 werd in het Vondelpark een Hella S. Haasse boom geplant.

Van de meeste schrijver uit de bloemlezing van Van Leeuwen is niets meer vernomen.

De literatuur als een afvalrace.

Anna Blaman schreef o.a. Eenzaam avontuur.

In het boek komt een lesbische relatie voor.

De Volkskrant vond het destijds een vies geval.

Heden ten dage je moet zelf weten wat je doet en wat je vies of lekker vindt.

Vies is een elk geval een broodje poep.

Dat is klip en klaar gebleken uit vele onderzoeken onder een grote groep kinderen.

De onderzoeker heette Ome Willem.

Een vieze geur is een zintuiglijke waarneming van een biologisch proces

Maar ik dwaal af.

Hella Haasse heeft een omvangrijk oeuvre op haar naam staan.

Ze werd al meteen bekend met het Boekenweekgeschenk van 1948, met Oeroeg,

Het boekweekgeschenk verscheen toen nog anoniem en de lezers moesten raden wie de schrijver was.

Het is één van de betere boekweekgeschenken.

Het gaat over een Nederlandse jongen die bevriend is met de Indische Oeroeg.

Ze komen tegenover elkaar te staan als Oeroeg in opstand komt tegen alles wat ‘Hollands en blank’ is.

Hella had in de gaten dat het koloniale bewind niet lang meer zou standhouden.

Daar had de Nederlandse regering nog niet veel van begrepen.

Omdat ze Max Havelaar niet gelezen hadden.

Hella en Anna zijn inmiddels niet meer onder ons

De schrijfster  van de volgende citaten wel.

Ik sliep alsof ik bewusteloos was op mijn hete kamer onder het dak. (p.84)

Het uitzicht vanuit de kamer: de zee van grijsblauwe zinken daken. (p. 89)

Weet u nog van die zinken daken?

Die waren in Parijs net als de personen in het betreffende boek.

Het gaat om Luister van Sacha Bronwasser.

Als u Parijs kent moet u dit boek lezen en ook als u Parijs niet kent.

Zeker als u een beetje een hekel hebt aan Parijs en aan de bewoners.

Het gaat o.a. over een  meisje dat au pair is.

Er komen vel straatnamen in voor.

In dit opzicht is het een beetje Modiano, dat door de stad zwerven.

Alleen in zijn tijd waren er geen bomaanslagen.

Dan weet u vast al wat meer van dat boek.

Het is niet alleen goed geschreven met veel kennis van de Parijzenaars, maar ook spannend.

En beklemmend.

Als u dit boek uit hebt, lees dan ook het begin van Au pair van W.F. Hermans om te vergelijken.

Wat Pauline (de au pair) meemaakt bij een doorgedraaid echtpaar en hun gestoorde zoon.

De rest van het boek is het stokpaard waar WFH graag op rijdt.

Het is geen leuk beroep au pair zijn.

Je wordt als een slaaf behandeld of voor de gek gehouden.

Meestal duurt de ellende maar een jaar.

Iemand die ook haar personen niet spaart, is Mensje van Keulen.

Zo heb je Bleeker die plotseling zijn werk in de steek laat en vier dagen verdwijnt naar Sodom aan de Amstel.

Het boek heet daarom Bleekers zomer.

Bleeker kan niet, maar moet wel steeds poepen.

Het is een tamelijk onsmakelijk verhaal.

In een ander verhaal drukt een vrouw zolang een kussen op haar slapende man totdat hij de geest geeft.

Veel geest zat er trouwens niet meer in, in die man.

Meestal zijn het vrouwen die vermoord worden door hun man.

Andersom kan ook

Mensje is wel erg geestig en ze houdt van katten.

Nog een ander boek heet Overspel.

Dan weet je al waar het over gaat.

Heel populair waren ook de boeken van Renate Dorrestein.

Ze heeft er minstens 28 geschreven.

In Een hart van steen heeft ene Ellen een postnatale depressie.

Ik heb dit boek met een 5vwo klas gelezen.

In die klas zaten 22 meisjes of jonge vrouwen die bijna allemaal dokter wilden worden.

Ik dacht dat ze wel geïnteresseerd zouden zijn in een medisch-psychologisch verhaal.

Maar dat was niet het geval.

Ze vonden het een zeurboek.

Sommige zure critici vonden de boeken van Renate meer geschikt voor lezers van De Libelle.

Het is ook nooit goed genoeg bij die zeurpieten.

Schrijf dan zelf een meesterwerk, zou ik denken.

 

dinsdag 30 december 2025

20251214 OLV-kapel kerstmarkt




                                    Onze Lieve Vrouwen Kapel op 14 decmber 2025 bij Giardino   


Het was koud op de kerstmarkt bij Giardino, maar dankzij de muziek van de OLV kapel was het toch een hartverwarmende middag met kerstmuziek . Op het plaatje zijn helaas niet alle 18 lieve vrouwen te zien. 

                                                                  

vrijdag 26 december 2025

Mosae Gargouley 1. kennismaken

 

1

Mosae Gargouley

Kennismaking

 

 Ik was zestien en rookte pijp. Een korte, beetje gekromde pijp. Zo’n ding dat de jonge leraar klassieke talen rookte. Dat stond intellectueel. Sigaren voor de fabrikant en de pastoor, sigaretten voor de boekhouders en shag voor de arbeiders. En voor de boekenwurmen pijpen.

Ik rookte die pijp vooral bij bijeenkomsten van de schoolvereniging, want eigenlijk had ik de pest aan die vieze smaak van die pijp, misschien omdat ik er veel bij zeverde, zodat er van dat smerige nicotinesap in je mond liep. De pijpen verdwenen al gauw in een rommellaatje. Relikwieën van puberale studentikoziteit.

Dus op die dag dat ik bijna zeventien werd, zat ik aan mijn pijp te lurken, toen ik ineens een gedachte kreeg, die alle aandacht op eiste. Niet die losse flarden die ergens tussen de synapsen in het brein zwerven, maar een opdringerige gedachte die op een eerlijk antwoord wachtte.

Die gedachte was: Wat doe jij eigenlijk op deze aardbol terwijl die zijn rondjes draait? Het brein sprak mij aan in de tweede persoon. Wat doe jij eigenlijk, wat voeg jij toe aan deze wereld, meer dan wat tabakswalm, melige grapjes en een vier voor wiskunde? En ik dacht: ik moet wat doen; ik moet iemand worden. En iets bijdragen aan de wereld.

Kortom de meest gestelde existentiële vraag: Wie ben ik? En daaruit volgend: wat wil ik, wat kan ik. wat kan ik leren en wie kan ik worden?

 

Dat moest ik meer eens grondig onderzoeken.

 

 Ik wilde eerst ingenieur worden. Maar met een vier voor wiskunde en een vijf voor natuurkunde was dat niet zo handig. En ook wilde ik natuurlijk schrijver worden, schrijver van toneelstukken. En toneelspeler. En geluidstechnicus of regisseur. En verliefd. Rijk niet, veel geld interesseert me niet. Maar geen armoede, dat ook niet. Er zijn maar een paar schrijvers die niet arm zijn. Toneelspelers meestal idem dito. Leraar leek me niks, al die irritante koppen vol mee-eters en gele puisten en maar ruften, die pubers. Nee, dank je wel.

Ik moest eerst maar eens betere cijfers halen voor de B-vakken. Toneelspelen deed ik al bij de toneelclub van de school, rollen als de criminele Italiaanse dokter in Zwarte koffie, een moordstuk van Agatha Christie. Verliefd was ik voortdurend, maar vooral eenzijdig en geluidstechniek leek me een leuke hobby, maar niet als werk. Niet ruig genoeg voor roadie. Weg met die pijp. Drum kopen en gele vloeitjes. Maar shag vond ik ook vies. Mijn vader, de boekhouder, rookte Golden Fiction. Mooie naam voor een sigaret. Gouden verzinsel.

 

Waartoe wij op aarde zijn, dat blijft de kernvraag. Het antwoord stond ooit in de catechismus. Maar dat je wat moet doen, om wat te worden, dat is zeker. Het leven is van jezelf en alleen diezelfde jezelf moet er wat van maken, want een ander doet dat niet voor jou.

Dus ik ging hard studeren en begon aan het schrijven van een melodramatisch toneelspel in vijf bedrijven geheten: De lafaard. Het thema ging over mezelf; hoe te handelen in een conflict. Gegeven: een geweldige fuif in een huis zonder ouders. Hoofdscène: een fataal gevecht. Bloed en liefde in omgekeerde volgorde.

En daarna wil ik Nederlands studeren. In de grote stad.

Wie ik ben, weet ik na zestig jaar nog niet precies. Ik speelde en regisseerde toneel, ik schrijf verhalen en ik maak opnamen met mijn geluidsrecorder. Rijk ben ik niet, maar arm evenmin. Over de liefde schrijf ik in andere delen. En ik gaf zesendertig jaar les aan de mooiste mensen van de wereld: de pubers.

Met roken ben ik gelukkig al vroeg gestopt.