Posts tonen met het label Gustave Flaubert. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gustave Flaubert. Alle posts tonen

donderdag 16 april 2026

LEIJSTEEN 10

 

LEIJSTEEN 10

 

Soms doen mensen gif in het eten van hun partner omdat de liefde in haat is verworden.

Meestal zijn het vrouwen die hun man vergiftigen, terwijl mannen eerder doodslaan, ook al staan er wetten in de weg en praktische bezwaren.

Ook doen vrouwen wel eens gif in hun eigen eten omdat ze diep ongelukkig zijn met hun saaie bestaan,

Madame Bovary had een brave maar saaie man in een saai dorp met saaie bewoners

Het grootste evenement in die tijd, de tijd in het dorp waarin Madame Bovary leefde, was de landbouwtentoonstelling.

Voor de rest was er niks te doen.

Het leven leek daar toen wel op wat nu een intelligente lockdown heet.

Emma Bovary kon wel gaan winkelen in de grote stad en stiekem haar minnaar ontmoeten, maar het hielp al maar niet tegen de overvloed aan tijd om niets te doen.

Dus ze nam een kopje arsenicum en verwoestte daarmee haar ingewanden, zodat het zwart uit haar mond liep.

Men vond het boek van Flaubert een schandalig werk.

Dat was heel goed voor de verkoop.

Rond de eeuwwisseling, dus rond 1900, verschenen er wel meer schandelijke boeken.

Zo had je Pijpelijntjes, dat gaat over twee homoseksuele mannen.

De titel verwijst niet naar een seksuele bezigheid maar naar de volkswijk De Pijp in Amsterdam.

De verkoop van het boek verliep nogal vreemd.

Het bleek dat iemand de hele voorraad van alle boekhandels in de stad opkocht.

De koper, de arts Aletrino, had zichzelf in één van die twee mannen herkend.

De schrijver Jacob Israël de Haan werd later vermoord, niet omdat hij dit schandelijke boek had geschreven, maar omdat hij, toen hij als zionist naar Palestina was gegaan, het opnam voor de rechten van de Palestijnen.

De Haan zag dat de zionisten de Palestijnen het liefst zouden verjagen uit het beloofde land.

Dat had God gedaan.

Niet de moord maar het land beloven.

Nu zijn de zionisten met bommen en granaten de Palestijnen definitief aan het verjagen.

Een ander schandelijk boek rond 1900 heette Een liefde.

De schrijver was Lodewijk van Deyssel.

Zijn eigenlijke achternaam was Alberdingk Thijm,

Hij kwam uit een deftige katholieke familie.

Het boek was bepaald niet deftig met al die seksuele hartstocht.

In de jaren zestig van de vorige eeuw verschenen er, tot grote vreugde van de rijpere jeugd, nog veel meer schandelijke boeken.

Het was het decennium van de ophef over zulke boeken van o.a. Gerard van het Reve, Jan Wolkers en Jan Cremer.

Dat was dan het Nederlandse aandeel in de ophef.

Het allerschandelijkste boek dat wereldwijd voor ophef zorgde ging over de perverse liefde van ene Humbert Humbert voor Dolores Haze, alias Lolita.

Lolita was nog geen dertien jaar; toen HH met haar van het ene motel naar het ander trok.

Nabokov noemde deze pre-puberale meisjes nimfijnen.

In 2025 stond in De Volkskrant: Lolita is geen verhaal over een minderjarige verleidster, maar een over de vernietiging van een meisje.

Het verhaal werd in 1955 als pornografisch beschouwd en de schrijver was net als Humbert Humbert, een onbetrouwbare leugenaar en een pedoseksueel.

Niet zelden worden de daden van de hoofdpersoon in de schoenen geschoven van de schrijver.

Met die schoenen aan beschrijf ik een ongepast beeld.

Het beeld stemt niet met de werkelijkheid overeen; het is onjuist.

Ik zou zeggen dat de beelden ontstaan in het hoofd van de lezer en niet in de schoenen van de schrijver.

Het boek werd uiteraard verfilmd.

Het eerst in 1962 door Stanley Kubrick.

Het probleem van de film is dat het vertelperspectief van de leugenachtige Humbert ontbreekt.

Dat vertelperspectief is het pleidooi dat Humbert schrijft in de gevangenis.

Dit pleidooi toont wat Humbert onder de waarheid verstaat en dat is dus nogal subjectief.

Een film toont ons in beelden wat er gebeurt, niet hoe het gebeuren in taal verteld wordt.

In Frankrijk hadden ze met expliciete beelden minder moeite dan de Amerikanen.

De Franse film, beleefde in de tijd de nouvelle vague waarin de liefde, of liever de seksuele bezigheid, zonder veel scrupules werd getoond.

Meestal bedreef men die liefde op een zolderkamertje onder een heet zinken dak.

Dat van die heet zinken daken komt, omdat in het oude Parijs de daken in hun geheel werden bedekt met zinken platen.

In het toneelstuk Kat op een heet zinken dak wordt per ongeluk gedacht dat het dak van tin was.

Dat komt omdat dat stuk in Amerika speelt en niet in Parijs.

Onder het dak van die Parijse kamertjes werd het in de zomer bloedheet en in de winter starnakel koud.

Hongerkunstenaars, balletdanseressen, acteurs, modinettes en etaleurs waren de belangrijkste bewoners van die kamertjes onder zo’n gloeiend of ijskoud dak.

Parijs is de stad van olala, vanwege de verse aanvoer van modinettes en soubrettes.

De bekendste film in dit genre heet Irma la Douce.

Die film werd grotendeels in Los Angeles gemaakt, dus van expliciete beelden was geen sprake.

Irma is een comédienne en Emma niet.

Die film met Shirley Maclaine als Irma is ongeloofwaardiger dan het boek over Emma Bovary van Flaubert.

Toch kreeg de film heel veel Oscars en Flaubert veel misprijzen.

Het leven onder zo’n zinken dak was niet alleen heet of bitterkoud maar ook armoedig.

Het rook er niet alleen muf en benard, maar evengoed naar illegaliteit, zoals het beroep van Irma.

Toch is dit geen echte Franse film want de hoofdrollen worden gespeeld door Amerikanen.

Het gangstermeisje van Remco Campert had ook best onder zo’n zinken dak gekund, maar die waren er in Amsterdam niet.

Helaas is dat boek niet verfilmd, maar wel is er een wonderschone stripversie van.

zaterdag 22 januari 2022

Vincent Haman [bijlage 1 bij JSW]


1. Vincent Haman

Marc van Oostendorp [thesaurier van de Nederlandse taal en literatuur] bespreekt op internet een boek van Willem Paap dat verscheen in 1898. Oostendorp zet meteen het licht op de al jeugdige verdorvenheid van de hoofdpersoon. 

"In Vincent Haman geeft hij [Paap] een afschuwwekkend portret van een literair wonderkind. De hoofdpersoon is een jongen die niet kan leren, die zich als kind ernstig misdraagt (op een dag introduceert hij het spel ‘koetje’: een vriendje en hij trekken allebei hun broek uit en gaan op handen en voeten staan. Twee vriendinnetjes mogen melken.) 

Maar Vincent komt uit een geslacht van letterkundigen, die stuk voor stuk een carrière hebben gebouwd op het uitpluizen en navertellen van wat buitenlandse schrijvers hebben gezegd, en vervolgens ‘polemieken’ voeren over die buitenlandse schrijvers. Het ene lid van de familie is er een belangrijk schrijver mee geworden, de ander een al even deftige hoogleraar.

Vincent blijkt nu te beschikken over een bijzonder, vroegrijp talent voor dat soort letterkunde. 

En dus wordt hij van jongs af aan gestimuleerd om al het andere te verwaarlozen en schrijver te worden. En dus vult hij een carrière met schrijven over niets, met polemiseren over letterkunde, met zich vreselijk kwaad maken over de stijl van andere schrijvers, met strijden voor zijn eigen woordkunst, om zo uiteindelijk een reuzebelangrijke schrijver te worden en in een ‘chrestomathie’ te eindigen."
Aldus Oostendorp.

Het boek (over) Vincent Haman is een satire op het 'literaire genie' van de 'Tachtiger' Lodewijk van Deyssel en op de woordkunstelarij en het literatureluren van deze generatie schrijvers van De Nieuwe Gids; een tijdschrift dat in 1885 werd opgericht en dat zich afzette tegen De (oude) Gids die al sinds 1835 bestond (en die nog steeds bestaat). Willem Paap verliet al na één jaar de redactie van DNG. Zijn literaire wrok komt dan terecht in dat boek over Vincent Haman.

Vincent Haman, een romanpersonage, is dus al met al een dubbel pseudoniem  want Lodewijk van Deyssel is weer een pseudoniem van Karel Alberdingk Thijm, wiens vader ook schrijver (en boekhandelaar) was. Van Deyssel koos die schuilnaam, omdat zijn familienaam die van een deftige 19de eeuwse katholieke familie was. Karel, alias Lodewijk alias Vincent, bracht een deel van zijn jeugd door op het katholieke jongensinternaat Rolduc. Beroemd of berucht werd zijn naturalistische roman: 'Een liefde' die ging over de wellust van ene Mathilde wat destijds als zeer aanstootgevend werd beschouwd, vanwege de erotische passages, waarvan er later enkele door de schrijver zelf werden verwijderd. Niet zozeer omdat die passages onzedelijk zouden zijn, schrijft Van Deyssel in een brief aan zijn vriend Prick, en niet omdat hij aan de publieke opinie tegemoet wil komen, maar omdat zij onvoegzaam zijn; omdat de auteur dit een letterkundige fout achtte. De passage zou een te sterke, disharmonische noot zijn; een theoretische demonstratie als voorbeeld voor de volstrekte vrijheid van de kunst, maar daardoor geen kunstbestanddeel. [Dit staat in het nawoord op p.26 van de onveranderde fotografische herdruk (1974) van de eerste en enige editie uit 1887]. 
Met onvoegzaam bedoelt de schrijver niet dat die passages onwelvoeglijk zijn, maar dat ze een betoog-voorbeeld zijn en daarom niet passen in een literair werk, Het is een argument.dat een politicus niet zou misstaan.
De rel over een onzedelijk boek was voor Nederland misschien wel nieuw, maar heeft een precedent in de heibel die in 1857 ontstond na het verschijnen van de feuilleton Madame Bovary van Gustave Flaubert. Flaubert werd voor het gerecht gedaagd wegens schending van de openbare zeden door te schijven over overspel van een gehuwde vrouw en over de banaliteiten van (niet haar) het huwelijk. Daamee werd het huwelijk in het algemeen bezoedeld en dat tastte de goede zeden aan. In de eerste druk van het boek veranderde  Flaubert 'van haar' (son) in 'van het (du). en zo deugt Madame Bovery niet en de hoeksteen van de samenleving nog wel. In 1873 veranderde Flaubert het son weer in du. Twee letters maken het verschil. Het is vrijwel zeker dat Van Deyssel met zijn gedurfde roman over Mathilde werd geïnspireerd door de kwestie rond Emma Bovary. Wie denkt dat die discussies over het vrouwbeeld rond 1880 oude koek uit preutse tijden zijn, heeft de toeëigenings- en canceldiscussie anno nu gemist. 

Terug naar Vincent Haman. Het is dus niet verwonderlijk dat Oostendorp in zijn bespreking van Paaps boek Vincent Haman typeert als een vroegrijp en vroegrot kind. Dat doet Willem Paap niet. Hij laat de passage van het jeugdíg wangedrag voor zich spreken. Die "ernstige misdraging" leidt ertoe dat Vincent naar de kostschool wordt gestuurd, zou je anno 1872 denken, maar dat gebeurt pas jaren na het koetjemelken, wanneer blijkt dat Vincent niets wil leren; zelfs niet kan rekenen. Hij wil alleen lezen, altijd alleen maar lezen. 
Toch gek dat de chrestomahticus van de Neerlandistiek dit schrijft. Ja lezen, dat weten we; dat is niet goed voor de deugdzaamheid. .Dat gelees wekt maar een verkeerd soort nieuwsgierigheid op. Hiermee is de figuur Vincent Haman meteen geframed door zijn verdorvenheid. Tja; maar dat zijn we allemaal, want volgens de apostel Paulus is de verdorvenheid ons aangeboren door de zonde onzer voorouders.

Ja, lezen en literatureluren, dat doet de Vincent Haman in mijn boek Jouw stekelige woorden ook. Vaak komen zijn zinnen regelrecht uit de literatuur en ook uit de Bijbel waarmee Vincent Roekie (zijn Lilith)  voortdurend pest. 
En zo is er weer een stukje verliteratureluren toegevoegd aan de chrestomathie van de Neerlandistiek.  

maandag 9 september 2013

LITERAIRE DIEREN 3 DE PAPEGAAI

[Leyeloren 20]

Waarom is de papegaai niet alleen een literair dier maar ook een letterkundig personage? Een literair dier is óf object van een verhaal, zoals in de vele poezenverhalen van tal van geblockte columnisten óf een verhaalfiguur die als denkend en acterend persoon optreedt, maar die toch min of meer met de eigenschappen van de soort behept blijft. Je ziet tenminste een vorm van typecasting: de beer is lomp en gulzig, de poes snel en listig, de wolf vals en hebzuchtig, de vos sluw en rebels en de leeuw sterk en hoogmoedig maar zeker niet nobel. De oorsprong van deze diertypes ligt in de fabels. Daarnaast heb je dieren die wel echt als dier optreden maar nu en dan toch spreken, bijvoorbeeld Jolly Jumper, het paard van Lucky Luke of Tintin, het hondje van Kuifje. Het is een leuke gag. In de huidige kinderliteratuur kom je veel verhalen tegen waarin bijvoorbeeld een hondje bij zijn sjieke tante op visite gaat en een kopje thee drinkt, maar wat dit soort verhalen nog met dieren te maken heeft, is me een raadsel. Ook de beroemde Bommelstrips zijn ver voorbij het dierenrijk afgedwaald.

De papegaai is echter een bijzonder geval.

De papegaai is een uitzondering omdat dit dier zich in de reële mensenwereld ophoudt en ook echt sprekend met mensen communiceert. De papegaai is derhalve niet alleen een literair dier, maar ook een letterkundig persoon. En hoewel de meeste papegaaien Lorre heten, zijn de eigennamen op één uitzondering na, vindingen van de bezitter. Niet elke papegaai heet Lorre, maar de literaire vos of beer heet - afgezien van de kinderverhalen – stereotiep Reintje c.q. Bruintje.

In mijn onderzoek naar letterkundige papegaaien kwam ik de gaai tegen in vijf vormen: de papegaai als verhalenverteller, het beest als sprekende antagonist; de papegaai als inspirator/metgezel/lustobject van een echt bestaand [literair] persoon, hetzelfde dier als literatuurcriticus en tenslotte de papegaai als toneelassistent [voor het geluid].

De papegaai speelt bovendien een bijzondere rol in de schepping. Niet alleen omdat het dier een millennia oude reputatie heeft als kletskop en maker van taalgrappen, maar ook omdat het beest net als de duif en de ezel behoort tot de elite der katholieke dieren. Dit is een serieuze kwestie! Het woord papegaai betekent niet voor niets gaai = vogel, van de papa = paus.[i] Papegaaien waren in de Middeleeuwen de vaste huisgenoten van de paus. Er was een in de pauselijke verblijven een papegaaienkamer, de camera papagalli.[ii]  In de achtste eeuw hing daar een medaillon met een groene papegaai onder een tafereel met de geboorte van Christus. Konrad van Würzburg, bisschop in de 13de eeuw aldaar, dacht dat de veren van het beest niet nat werden van de regen en dat het daarom een symbool was van Maria, die onberoerd was door de erfzonde. Ook zou de gaai na de dood niet vergaan, waardoor de vogel symbool stond voor de onvergankelijkheid van de ziel. In 1634 schilderde Jan van Eyck een papegaai – eigenlijk was het een parkiet – die op de schoot zat van Jezus. “When parrot is dead, she doth not putrefy,/Yea, all things mortal shall turn into nought/Except man’s soul, that Christ so deare bought,/That never may die, nor ever shall die.”. Dat schreef John Skelton omstreeks 1620 in zijn satirische werk: Speke Parrot.

Aartsengelen spreken erfzondeloze vrouwen aan met ‘Ave’. En van die vrouwen was er aanvankelijk maar één, toen heel lang geen en daarna weer één. De Edense papegaai die vaak in de appelboom zat, hoorde de aartsengel Gabriël ‘Ave’ zeggen als hij met een boodschap van de baas kwam. De gaai maakte daar het anagram 'Eva' van. Toen Adam en zijn mannin uit de Hof van Eden gesmeten werden, gaf de mens die naam aan de vrouw, die de sukkel - hij lijkt wel een Brabander - tot dan nog ‘Vrouw’ noemde. Maar hoe heette die allereerste papegaai zelf? We weten het niet. Adam gaf soortnamen, geen eigennamen aan de dieren. Wel Leeuw, niet Nobel, wel Papegaai, niet Lorre.

De papagaai als verteller

De traditie om een papegaai als verhalenverteller te laten optreden is al heel oud. In de Perzische bundel Tûti Nâmeh van Nakhshabî , die teruggaat op een Sanskriet geschrift van zo’n vijfentwintighonderd jaar geleden, [Het Papegaaienboek] vertelt een papegaai verhalen om een vrouw van haar verlangen naar overspel af te houden. Het beest heeft geen naam, maar hij kan wel hartverscheurend huilen. En om van dat gejammer af te zijn, zag de vrouw af van haar minnaar.
            "Lorre; wat het eerste woord was dat ik ooit op het eiland hoorde spreken door een andere mond dan de mijne," schrijft Robinson Crusoe rond 1700 met de pen van Daniël Defoe. Dus tenzij een of andere kannibaal deze naam verzonnen heeft, moeten we wel aannemen dat deze papegaai het eerste en het enige dier is dat zijn eigennaam zelf heeft bedacht. In een bewerking voor de jeugd heet dezelfde papegaai echter Pol. “Want die naam had ik hem gegeven. En al gauw leerde hij meer. 'Pol eten!' was zijn tweede kunststuk,” noteert dezelfde Robinson in een jeugdeditie. Waarom Lorre Pol wordt in een jeugdeditie, kan toch geen vertaalbaarheidsprobleem zijn. Dieren die zichzelf benamen, dat past niet in de schepping.[iii] 
            Een andere letterkundige papegaai is Loulou. Hij komt voor in een verhaal van Gustave Flaubert: Un coeur simple. "Weet u wat er al drie weken voor me op tafel staat? Een opgezette papegaai. Die houdt daar de wacht. Zijn aanblik begint me te irriteren. Maar ik laat hem staan omdat ik mijn hoofd wil laten volstromen met het gevoel voor het papegaaischap. Omdat ik momenteel aan het schrijven ben over de liefde tussen een oud wijfje en een papegaai." [iv] Dit oude vrouwtje, een dienstmeid, krijgt Loulou van haar madam, omdat ze hem zo'n vervelende druktemaker vindt. De dienstmeid komt, doordat ze een gelijkenis ziet tussen de duif op een kerkraam en haar Loulou op “tegen het denkbeeld dat de Heilige Geest een duif zou zijn, want een duif kan immers niet spreken.” Zo wordt zij de profetes van een nieuwe godsdienst waarin een opgezette papegaai als fetisj wordt vereerd." [v]
            Edgar Allan Poe had in een griezelig gedicht een pratend beest nodig dat Nevermore moest zeggen, maar omdat de vogel van gene zijde kwam, was een papegaai wat te mal voor woorden. Het moest uiteraard een zwart beest zijn: de raaf. Papegaai in zwarte vermomming.
            Mathilde Heine had een viertener die zo hard kon krijsen, dat Heinrich hem vergiftigde. Uit spijt over zijn onbezonnen daad kocht hij onmiddellijk een opvolger, Cocotte II, die nog harder krees. Hij was alleen tot rust te krijgen, na tuchtiging met een zweepje dat daartoe naast de kooi lag. In het najaar van 1885 lag het beest voor dood in zijn kooi. “De hemel zij dank,” zei Heine, maar het taaie kreng bleek nog in leven. [vi]
            Misschien heeft dit verhaal het team van Monty Python geïnspireerd bij hun beruchte sketch van de dode papegaai. Een klant klaagt in de dierenwinkel dat zijn pas aangekochte Polly dood is. Hij wordt weersproken door de winkelier die meent dat het beest rust. Waarop de klant reageert met de gedenkwaardige zin: “I know a dead parrot when I see one.”
            “Two parrots sitting on a perch.” [vii] Zo begint een grap die Tommy Cooper i.p.v. te goochelen, vertelt. Die mop mislukt meestal, evenals de goocheltrucs. Papegaaienmoppen komen nogal frequent voor in de letteren. In Tramlijn Begeerte [A streetcar named Desire van Tennessee Williams] vertelt Blanche een papegaaiengrap. Die gaat ongeveer zo.
            Daar was eens een papegaai die vreselijk vloekte, de hele dag door. Hij hield pas zijn snavel als je ’s avonds een doek over de kooi gooide. Op een dag zat de papegaai weer te schelden, tot plotseling de paster zich meldde. Snel gooide de vrouw de doek over de kooi. De papegaai hield netjes zijn snavel, totdat de vrouw aan de paster vroeg of hij suiker in de koffie wilde. De papagaai hield het niet meer en riep: Godverju, dit was me toch een korte nacht!
            Stanley Kowalski vindt de grap niet leuk.
Na lang zoeken vond ik eindelijk een papegaai die geen Lorre, Cocotte, Polly of een andere naam uit de wereld van verspild zaad en zwerfvolk had gekregen, maar naar de literator onder de literatoren was genoemd: Goethe. Hij was de papegaai van de moeder van Anna Silberblatt die een hotel had in een sjtetl in Polen en jawel, het kreng sprak geen Jiddisch maar de taal van het moderne leven; in de zomer van het jaar 5699. “Die rotpapegaai van je moeder schreeuwde in het Duits.” roept de Antwerpse diamantair Roman Silberblatt tegen zijn vrouw. Meestal riep Goethe “Istmirwas.” [viii]
            Er is ook geen piratenverhaal of er rommelt wel een papegaai in een kooi. Op de Hispanolia heeft de kok, bijgenaamd Barbecue, een schreeuwlelijk aan boord die aanhoudend ‘Pieces of eight’ krijt tot de kok zijn snotlap over de kooi gooit. In welke taal Cap’n Flint dit oorspronkelijk deed - het beest heet naar de beruchte boekanier, - staat er niet bij, maar het gaat om zilveren Spaanse peso’s van acht reaal. Ik denk dat u wel weet in welk verhaal die kreet voorkomt. Verder kent het beest alleen maar scheepstermen. Een echte antagonist is hij dan ook niet. Dat ligt anders bij de volgende kapiteinsgezel.
            “Hallo-o-o-o-, ik luister-r-r-r…”, antwoordt Koko in De juwelen van Bianca Castafiore. Deze papegaai, een geschenk van Castafiore aan kapitein Haddock verandert zijn repertoire tenslotte in: "Houd je mond wanneer ik spreek, duizend bommen en granaten!"[ix]
  

            In Willem Frederik Hermans' Paranoia komen twee papegaaien voor. "Anna liep om de ontbijttafel heen en gaf de papegaaien Ajo en Inquam die op krukken elk in een hoek van de kamer stonden, harde korstjes brood die zij aanpakten met hun klauw om ze te laten vallen, zonder erop geknabbeld te hebben. Ajo kon 'Heil Hitler' zeggen, wat men hem vijftien jaar geleden had geleerd, toen het nog komiek gevonden werd dat de aanhangers van de Duitse rijkskanselier in plaats van Goede Morgen, Heil Hitler zeiden. Inquam kon zelfs niet krijsen; Anna's goedhartige vader noemde hem daarom Tacitus.” [x] Verder dan een keer 'Heil Hitler' tegen -uitgerekend de paranoïde Arnold Cleever-  zeggen en hun eten verspillen, hebben deze papegaaien geen functie.
            Dorothy Parker, een Amerikaanse schrijfster, had een papegaai die zij de Bijbelse naam Onan gaf, omdat hij zijn zaad grondig verspilde. Hoe ze hem dat liet doen, wordt daarbij dubbelzinnig vermeden. De aaibaarheid van het beest gaat wat verder dan ‘koppie krauw’.
In Lief Dier van Midas Dekkers komt u die techniek te weten op pagina 202.[xi] Ook Boudewijn Büch noemt deze bezigheid in het opstel Het orgasme van Lorre.[xii]
            De hoofdpersoon in een roman van L.H. Wiener denkt aan “de ara, die Ara heette en die beter vliegen kon dan praten en die dan ook na enkele weken in de richting Overveen wegvloog, reden waarom de grijze roodstaart Polly in een kooi werd opgesloten, waar hij zijn tijd doodde met het ritselend verorberen van zonnepitten en het krakend openen van pinda’s die hij met zijn drietenige[!] poot naar zijn snavel tilde […].In zijn schaarse vrije tijd leerde Polly woorden en woordcombinaties, een spelletje waarbij Catharina van Nyenbeek hem graag zelf instrueerde, en als Polly met een buitenaardse grogstem ‘blote kont’ mompelde of ‘godverrrdomme’ rochelde, dan barstte zij in dezelfde giechel uit die nu in versleten vorm nog steeds bleek te bestaan.” Een papegaai heeft vier paarsgebonden tenen, twee voor, twee achter, daarom heet de soort zygodactyl, maar Wiener ziet er maar drie. [xiii]
            Nog een Polly moest van zijn leermeester Latijn leren. In Malone meurt van Samuel Beckett moet hij beseffen dat wat hij zegt, eerst is opgepikt door een zintuig [zijn oren] en dan pas integreert in het bewustzijn. Nihil in intellectu est, quod non fuerit in sensu. Polly komt met deze hersenkronkel niet verder dan een paar woorden; de rest verbastert hij tot gekrijs. [xiv]
            De Tilburgse kunstenaar Werner Moonen, had twee papegaaien die boeken konden lezen; met hun snavels pikten ze stukjes tekst uit die ze vermaalden tot bolletjes. Zo werden hele boeken bij voorkeur van ouder papier herlezen. Vandaar de bibliografie met de titel: Lijst van herziene boeken door Toto en Kriki, 1993-1996. [xv]
            In Secretum, een literaire thriller of beter een zwaar op de maag liggende Romeinse straatkei die speelt in het Rome van 1700, kan de papegaai genaamd Caesar Augustus perfect pistoolschoten imiteren. En niet alleen die, maar ook donderslagen, jankende wind, paardenhoeven, piepende poorthengsels, brongeklater en het klotsen der zeegolven. Een audio-literair wonder, dus heel geschikt voor de hoorspelstudio. [xvi]

Kortom: de papegaai is een letterkundig persoon; een kletsmajoor die zich bekwaamt in imitatie. Daarom noemt Willem Frederik Hermans epigonen papegaaien.[xvii]





[i]  Het Engelse parrot zou van de Franse voornaam Pierre (pierrot, dat weer pias betekent) afgeleid zijn.
[ii] H. Diener, Die ‘Camera Papagalli’ in Palast des Papstes. In : Archiv für Kulturgeschichte, 5 (1967).
[iii] Uit de vertalingen van Robinson Crusoe; resp. door C. Buddingh', uitgeverij Het Spectrum en een jeugdbewerking door P. de Zeeuw, Van Goor Zonen's uitgeversmaatschappij.
[iv] Citaat uit een brief van Flaubert, bij Julian Barnes, Flauberts papegaai.
[v] Willem Frederik Hermans, Het sadistisch universum, deel I. p. 114
[vi] Martin van Amerongen. Het matrassengraf. Heine’s sterfbed. Arbeiderspers, 1985.
[vii] “Two parrots sitting on a perch. One says to the other, ‘Can you smell fish?’”
[viii] Benno Barnard, Door God bij Europa verwekt. De zomer van 5699. Atlas, 1996.
[ix] Hergé, De juwelen van Bianca Castafiore, ill. p. 17
[x] Willem Frederik Hermans, Paranoia. p. 67
[xi] M. Dekkers, Lief dier. Contact, Amsterdam, 1992.
[xii] Zie gelijknamige verhalenbundel.
[xiii] L.H. Wiener, De verering van Quirina T. Contact, Amsterdam, 2007.
[xiv]  S. Beckett, Malone meurt, Editions de Minuit, Paris, 1951.
[xv] Volgens Ed Schilders in De Volkskrant. Z.D.
[xvi]    Monaldi en Sorti, Secretum.De Bezige Bij, Amsterdam, 2005.
[xvii]    Zie: Mandarijnen op zwavelzuur. Papegaaien is ook een boek van Cyril H. Rogers.