vrijdag 26 september 2014

WOONT EN WERKT

Woont en werkt
[Leyeloren 34]

Als u de combinatie van de persoonsvormen ‘woont en werkt’ leest, dan weet u, dit gaat over een beeldend kunstenaar. Nooit staat er: schilder Vincent woont in Tilburg en werkt in Nuenen. Dan is hij huisschilder. Een echte schilder, een kunstenaar, woont waar zijn werk is. Als hij of zij even niet meer weet, waar hij of zij het moet zoeken, zit hij of zij met de handen in het haar en als er geen haar is, dan is hij singel of kaal (grapje).
Dat de kunstenaar werkt, zetten ze erbij, opdat u niet zou denken, dat hij maar wat zit te klooien en te luibakken, zoals Karel Appel, toen hij tegen een ambtenaar van de kunstsubsidie zei: “Ik in mijn lawaai, ik rotzooi maar wat aan.” Dat lawaai was jazzmuziek van Charlie Parker en zijn maten. De kunstbobo kon het niet waarderen. Geen subsidie voor Appels die in lawaai wonen en werken rotzooien noemen.

Ik heb eens een brochure geschreven over een schilder van heel vieze  urinoirs en groteske etalages, waarin elke zin was geplagieerd uit een kleine collectie tentoonstellingsfolders van andere kunstenaars; waar nodig toegesneden op het actuele werk. Geen mens die het merkte, ook de vieze schilder zelf niet. Zo gewend als men is aan de metataal in die folders. Voor goed begrip: het gaat hier over iemand die schilderijen maakte van vieze pisbakken en vreemde etalages. Hij maakte daar diafoto’s van en thuis projecteerde hij die op het doek en daar schilderde hij dan verf op, zo'n beetje in de kleur van de projectie. Zo werkte hij. Net als Marlène Dumas, die schijnt ook zo te werken. Het nadeel is dat je met je eigen lichaam de beeldprojectie verstoort. Dan schilder je er gauw zo’n beetje langs. Zij woont en werkt in Amsterdam, schrijft Wikipedia. Sinds 1976 dan. De kunstenaar woont en werkt. Sterker; ook werksters wonen en werken; zelfs op meerdere plekken. Dat hebben ze gemeen met Vincent. 

vrijdag 19 september 2014

LEVE DE DWAZEN

Leve de dwazen

[Leyeloren 32]

Van allen die leven zijn de dommen en de dwazen het leukst, omdat zij dingen zeggen en doen waarover wij allen kunnen hoofdschudden en schuddebuiken, omdat we onszelf  er zo goed in herkennen. De dwaas houdt ons een lachspiegel voor waarin we onszelf zien. De Uilenspiegel van onze tijd heet You Tube. Op het internet wemelt het van de hilarische filmpjes waarin mensen zich dwaas, onnozel en riskant gedragen. Je zou menen dat de aarde exclusief wordt bevolkt door dwazen. Zeshonderd jaar geleden schreef Erasmus al dat de wereld wordt geregeerd door de zotheid. En van alle dwaze zijn de ijdele geleerden en de betweters degenen die ons het meest doen lachen wanneer zij volharden in hun dwaasheid.
Tot een bijzonder subgenre van de dwazen zijn zij die behept zijn met een kunstverstand.

Het kunstverstand in Nederland

[Irraticon, Kunstverstand]

In Nederland hebben velen een kunstverstand, vooral bij de overheid. Het kunstverstand raakt danig in de war met nieuwe (post-) moderne en abstracte kunst. Abstracte kunst is een reactie op een wereld die “al verklaard” is. Anders gezegd: abstracte kunstenaars weerspiegelen hun wereld als niet meer te weerspiegelen. Of ze weten niet hoe ze die wereld moeten zien, omdat de verklaringen niet voldoen. Hoe het ook zij: abstracte kunst is per definitie onbegrepen kunst. Een verzamelnaam voor moderne, vaak abstracte kunst, is modernisme. Postmodernisme reageert weer op de stijliconen van het modernisme; de postmodernen maken geen onderscheid tussen hoge en lage kunst. Je geeft Mona Lisa een snor. Postmodernen houden van conceptuele kunst.
Moderne kunstvormen zijn per definitie elitair en anti-populistisch; de kunst is niet langer een reproductief medium; ze gaat veel meer uit naar de individuele uiting waarbij het te bewerken materiaal slechts expressiemiddel is.

Kunst laat zien wat de kunstenaar wil. Zo laat Spoerri zijn spurrie zien, zijn afval dat hij als consument in de welvaartsmaatschappij produceert. Water aan de bron gedronken, laat geen rommel achter. Coca cola wel: blikjes, petflessen, etiketten. Maar de burger wil die spurrie van Spoerri niet zien. Geen kunst, want rotzooi maakt hij zelf wel, alleen gooit hij die weg. Hij wendt zich af en gaat een mooi schilderij zoeken; bijvoorbeeld iets wat door diezelfde burger vroeger verguisd werd. De zonnebloemen van Vincent van Gogh bijvoorbeeld; maar diens doeken uit de zogenoemde kisten van Breda werden destijds verkocht om als textielafval verwerkt te worden. Wat niet wegneemt dat heel wat kunstenaars aanrotzooien.

De oorzaak van de kloof tussen kunstenaar en burger ligt in de kunst zelf. Omdat het modernisme en de abstracte kunst uitgesproken anti-burgerlijk zijn en anti-menselijk  zijn. Die kloof tussen een incrowd van kenners en de massa wordt bewust geschapen. Het gaat om de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie; expres elitair als reactie op de bombastische romantische kunst van de 19de eeuw. Het begint met een grap; een provocatie, zoals de pisbak van Marchel Duchamp; een grap die steeds serieuzer wordt genomen. Kunst moest ook aanhoudend vernieuwend zijn; zo ontstond de hijgerige jacht om steeds extravaganter uit de hoek te komen, wil je immers nog opvallen. Voorbeelden genoeg. Een dolfijn op sterk water; de spurrie van Spoerri; monochrome schilderijen; de kinderkladjes van Dumas, installaties die ontoegankelijk blijken; de opvoering van Hamlet waarin de actrice die Ophelia speelt vlak voor haar zelfmoord in haar blote kont gebukt gaat staan en zegt: “Kijk eens naar mijn sterretje.” Elitair, provocerend anti-burgerlijk iconoclasme. Dat schrijft en vindt men. En dan de belangrijkste kwestie: Wie betaalt dat allemaal? Eens legde Karel Appel uit aan een ambtenaar van de Beeldende Kunst Regeling die eens kwam zien hoe de kunstenaar werkte [met harde jazz en met verf] en of die voor subsidie in aanmerking kon komen: “Ik in mijn lawaai, ik rotzooi maar wat aan.”
Als het de overheid maar geen geld kost.

Aan kunst als een soort tweede, diepere werkelijkheid, iets wat ontstaat door vaak en veel te zien, er over na te denken, te lezen, te laten bezinken, verband leggend met eerdere ervaringen; daaraan heeft het kunstverstand geen boodschap. Het moet instant zijn. Ik kijk wat ik zie en wat ik zie is wat ik ervaar. ‘Wat een grote saxofoon’ zeggen kunstverstanden die een basklarinet zien.

Bestuurders met een kunstverstand, zoals ex-staatssecretaris van cultuur en media Medy van der Laan zei het al: “Mensen moeten zelf uitmaken wat mooi is. [...] “Ik geloof niet in het traditionele onderscheid tussen kunst met een grote k en een kleine k.” Een ambtenaar met een kunstverstand zou Van Gogh vroeger geen subsidie gegeven hebben. Gekken die hun oorlel afsnijden die rotzooien maar wat aan; maar nu prijst Medy het Van Gogh museum omdat het het merk Van Gogh goed in de markt gezet heeft. Want dat is kunst voor ambtenaren: de baat gaat voor de Kunst of kunst uit.

In NRC-Handelsblad pleiten drie kunstbazen voor een anti-elitair museum, want de huidige musea zijn elitaire reservaten. “Door het emancipatieproces dat in de twintigste eeuw werd ingezet, is niet alleen gemorreld aan het elitaire denken in het algemeen, maar ook aan het bijbehorende masculiene egocentrisme en het dominante, westerse etnocentrisme. […] het museale reservaat van de toekomst is ruimte en vrijheid voor iedereen met een nieuwsgierige geest: arm of rijk, man of vrouw, blank of zwart.…] Hedendaagse kunst is een onophoudelijk proces van vertrek en aankomen, langs alle mogelijke routes van beelden, situaties, expressies, samenwerkingsprojecten en territoria.” Zo verwoorden de bobo’s hun anti-elitaire museum in een taal die toont dat de dames en heren een kunstverstand hebben; dat zie je aan hun elitaire woordbraaksels.
Nu snap ik waarom in Parijs het museum aan de Quai d’Orsay in een station is gevestigd. Er wordt voortdurend aangekomen en vertrokken langs alle mogelijke routes. En musea zijn mondig geworden. Ze kunnen niet alleen praten maar ze zijn “zoekende tentakels die geopend zijn naar de wereld” en “die diepgang geven aan het primaat van de vluchtigheid.” En meer van die metaknollentaal. [1]

Wie heeft er wel verstand van kunst?
De discussie die weer losbarstte n.a.v. de voorgestelde bezuinigingen van de regering Rutte ging voornamelijk over “linkse hobby’s” zoals het subsidiëren van een blaasclubje die piepjanknormuziek speelt [zo kleineert de nieuwe politiek bijv. het Schönbergensemble] en schilderkunst kunst die wordt gekarakteriseerd met “dat kan mijn zoontje van zes met zijn verfdoos ook”. Met dezelfde pennenstreek schaft ze de omroeporkesten en het omroepkoor af, alsof dat ook linkse hobby’s zijn. Uit de nieuw aangetreden politieke club walmt een diepe weerzin jegens moderne kunst.







[1] Stan Huys. Meta Knol, NRC-H. 1 dec. 2006

donderdag 4 september 2014

HET STUDENT

Kwatrijn

Het student gedijt het best in half comateus gereutel
De studie en de wereld interesseren hem geen zier
Zijn Parnassos is een zuipkroeg op de Korte Heuvel
Daar laaft hij zich, niet aan Pallas, maar met sloten bier

zaterdag 21 juni 2014

MODIANO: In het café van de verloren jeugd

2014-06-21
Reis naar het einde van de tijd [Voyage au bout de la nuit]
In het café van de verloren jeugd  [Dans le café de la jeunesse perdue]



Bij boekwinkel Livius zag ik begin juni op de aanbiedingentafel een boek liggen van Patrick Modiano; een boek dat ik een jaar of vijf geleden, geleend van de bibliotheek, had gelezen. Ik had er nostalgische herinneringen aan, zonder te weten waar het verhaal eigenlijk over ging. Ik was vooral geïntrigeerd door de titel en nog meer door de naam van het hoofdpersonage.

 Modiano vertelt zijn verhalen in melancholieke ongrijpbare en toch in helder verwoorde zinnen. Vage herinneringen, flarden van ontmoetingen van vage personen op plaatsen, die hoewel met hun ware toponomie aangeduid, toch nevelig blijven. Een astronomie van donkere boulevards, steile straten, goedkope hotels, stoffige kantoren, vergeten boekwinkels, sombere kerkhoven [Montparnasse], nachtelijke metrostations, lege parken, doodlopende stegen en vooral cafés bewoond door verlopen artistieke figuren, verzopen criminelen, een beetje café De Zwart in Amsterdam, maar intens melancholischer. Modiano’s wereld heeft dezelfde sfeer als de locaties van Fellini. De verlaten bouwplekken waar het circus staat. De troosteloze clowns, de ratelende bioscoop, de versleten hoeren. De accordeon speelt Amarcord. In het boek van Modiano heten die plaatsen neutrale zones. En dan zijn er nog ergere plekken; de zwarte gaten van de stad. Zijn literaire atlas.

Het boek bij Livius is gebonden. Lelijke omslag in de Franse driekleur. Het kost maar 2,50.
Er zaten deukjes in de kaft. Ik kreeg het voor niets.
In dit boek las ik dat één van de vertellers in kantoorboekhandel, Mattei, aan de Boulevard de Clichy een boek vindt, dat Reis in het oneindige heette. Omdat de oranje kaft was gescheurd, kreeg zij het voor niets.

Modiano's boek heet In het café van de verloren jeugd. Ja, daar ben ik vaak gekomen. Het heette alleen niet de Condé. Maar het verhaal dan, dat draait om dat hoofdpersonage, over die ongrijpbare jonge vrouw en zij heet Louki. En de mijne heet Roekie.
Geen schrijver zonder de muze van zijn verloren jeugd.
Hoe vaak liepen we niet urenlang door de verlaten lanen van de verbroken dromen, de stad uit op zoek naar de horizon? De reis naar het midden van het zuiden, waar het altijd twaalf uur is. Waar de tijd stilstaat.
Het gaat niet om het doel, maar om het verlangen.

Aanvullingen/Noten

·         In de Middeleeuwen liep daar een pad dat ‘Le Chemin de la Chasse’, heette. Richting het zuiden. De Midi. Dat pad ging men al gauw Chasse-Midi noemen. Van Chasse werd in de volksmond Cherche’ gemaakt.  Voor de oorlog zat er een horlogemaker die de zaak ‘Au Cherche Midi’ had genoemd. [Bron: Jan Siebelink, De blauwe nacht, 2014].

·         In het boek -In het café van de verloren jeugd - zit een geheim, dat de oppervlakkige lezer niet opmerkt. Het raadsel van de verloren jeugd zit in de geschiedenis van de ouders van Louki en daardoor van Louki zelf. Een zwart gat. Het grootste zwarte gat in de geschiedenis van Europa. Ook in Villa Triste worden gebeurtenissen uit de Tweede Oorlog ontweken. Wie het weet, leest het boek anders.
·         In die buurt was ook een militaire gevangenis: Cherche-Midi, waarin o.a. Dreyfus werd opgesloten voor hij verbannen werd.

·         Manet van Montfrans schreef in het tijdschrift  Tirade okt. 2008 een exegese over  de allegorische gelaagdheid van Het café van de verloren jeugd, onder de titel: Dante bij Modiano: een goddelijke komedie in Parijs.  


·         Het stukje hierboven over Modiano werd geschreven op 21 juni 2014. In oktober kreeg Modiano de Nobelprijs voor literatuur.  Enig causaal verband kan niet worden uitgesloten.


Geplaatst door Joannes Maas op 14:55 http://img2.blogblog.com/img/icon18_edit_allbkg.gif


zondag 27 april 2014

NU EN ALTIJD

Nu en altijd bestaan niet
[Leyeloren 30, Lees de tijd]



Het nu en de eeuwigheid bestaan niet. Toch hoor je voortdurend deze woorden gebruiken. ‘Ik wil het [geluk, geld, eeuwig leven] nu en dat altijd, in omnia secula seculorum, amen.
Waarom bestaan het nu en de eeuwigheid niet? Ga even mee in een klein gedachte-experiment. Het nu is onmiddellijk voorbij als je nu zegt. Wiskundig gerekend nadert de tijd tot nul. Het echte nu is nul. Het bestaat niet. Dan het eeuwige. Het altijdige duurt eindeloos. Wanneer is de eeuwigheid? De eeuwigheid is er steeds; gisteren, nu, morgen. Zij is oneindig. Er zit geen begin aan en geen einde. Waar is het dan? Het continuüm is al even abstract en ongrijpbaar als het nu. Ze bestaat uit een oneindig aantallen nu. En nu bestaat al evenmin als altijd. De eeuwigheid is een idee. 
Astrologen -nee, die niet, astrologen zijn goochelaars, maar astrofysici nemen aan dat de tijd begonnen is met de oerknal en mogelijk eindigt met een imploderend heelal, waarin de tijd terugdraait tot nul. Ook is het mogelijk dat het heelal zo eindeloos uitdijt, dat de tijd zo uitrekt, dat er helemaal geen tijd meer is. Eeuwige tijd, altijd nu. De kans is groot dat we nu ergens midden in de tijd zitten; veertien miljard jaar verder is de tijd op. Er is dan geen nu en geen eeuwigheid meer. Het lijkt op het potentiërend middel in een eindeloos verdund homeopathisch medicijn. Het is niet meer terug te vinden. Verdwenen in de verdunning. Of, zoals in het heelal: tijd en eeuwigheid verdwenen in een onmetelijk zwart gat.
 Een mensenleven begint met de geboorte en eindigt met de dood; tamelijk concrete ervaringen voor wie het overkomt; maar de kosmos zou uit het niets –want wat was dat iets dat oerknalde?- zijn ontstaan en in het niets verdwijnen.  Bij dat eerste en het laatste kunnen we ons niets voorstellen. De tijd bestaat niet.

Een theoretisch fysicus uit Heidelberg, Christof Wetterich beweert dat niet het heelal uitdijt, maar dat onze meetlat krimpt. Alles wordt kleiner want de atomen krimpen. Interessant gelul. De gewichtjes die de goudhandelaren vroeger gebruikten om goud te wegen bij de inkoop, waren zwaarder dan ze aangaven en bij de verkoop gebruikten ze andere, lichtere gewichten. Daarmee veranderde de hoeveelheid goud niet; maar wel de meetresultaten en daardoor groeide de omvang van hun geldzakken. Meneer Wetterich: als alle materie krimpt, dan krimpt ook het heelal mee en krimpt de Planckmassa en de kosmologische constante van Einstein allemaal in dezelfde mate mee. Tot alles nul wordt. Of oneindig; want of het heelal krimpt tot nul of het zet uit als een  opzwellende ballon, tot die door het wegvallen van het samenhangende potentieel uiteen knalt waardoor alles verdwijnt in het niets, nul en niemendal. De eindknal.   
.


vrijdag 31 januari 2014

INGEBORG BACHMANN

Ingeborg Bachmann,  Klagenfurt 1926 –  Rome 1973


[Leyeloren 29]

Ingeborg Bachmann werd bekend door haar optreden in 1952 bij de legendarische Gruppe 47. In Der Spiegel [Ed. 1954] werd zij 'de diva van de dichtkunst' genoemd. Henry Kissinger vond haar een unieke vrouw. Blijkbaar een kenner. 
Bachmann promoveerde op het filosofisch werk van Martin Heidegger en schreef o.a. essays over Ludwig Wittgenstein, Maria Callas, Robert Musil en Simone Weil.
Begin 2014 verschenen twee nieuwe boeken over haar leven. Andrea Stoll schreef Die dunkle Glanz der Freiheit, dit verscheen bij Bertelsmann en Ingeborg Gleichauf publiceerde: Ingeborg Bachmann und Max Frisch: Eine Liebe zwischen Intimität und Öffentlichkeit, bij Piper Verlag. [Bespreking van deze boeken staan in De Groene Amsterdammer, 30-01-2014]

In haar werk staan angst voor tirannie en voor machtsmisbruik en geweld in de intimiteit tussen man en vrouw centraal. Het woord Nee gezegd tegen vaders, minnaars komt vele malen voor. Zo wijst ze in het verhaal Undine geht [in de bundel Het dertigste jaar] alle mannen af -een Hans in het bijzonder, omdat zij allen laf, trouweloos en burgerlijk zijn. Haar bekendste roman - De Groene spreekt van een polyfone roman - is Malina [verfilmd door Werner Schroeter en Elfriede Jellinek]. Aan de ene kant had zij een glamouruitstraling; maar in werkelijkheid was ze een rusteloze instabiele vrouw, die voortdurend wisselde van minnaar en woonplaats. Vooral haar verstoorde relatie met Max Frisch die haar in de steek liet voor een studente leidde, naast haar verslaving aan medicamenten, alcohol en nicotine tot haar psychische en fysieke ondergang
Het boek Malina zou deel uitmaken van een trilogie Todesarten. Maar de schrijfster overleed zelf op tragische wijze door de brandwonden die ze opliep bij een brand in haar huis in Italië. Mogelijk is ze met een brandende sigaret op de bank in slaap gevallen. Daar vond men een chaos aan geschriften en documenten, waarmee studenten het boek Todesarten hebben samengesteld. Het boek wordt in het Groene-artikel Doodsoorzaken genoemd, maar het gaat niet om de oorzaak in medische zin; maar veeleer om de wijze waarop iemand sterft in lijn van zijn of haar levenswijze. Doodswijzen dus. [Zie ook Leyeloren 2, Niebla en Malina]

Werken [Bron:Wikipedia]

§  1950 Kritische Aufnahme der Existenzialphilosophie Martin Heideggers (proefschrift)
§  1953 Die gestundete Zeit (dichtbundel)
§  1956 Anrufung des Großen Bären (dichtbundel)
§  1958 Der gute Gott von Manhattan (luisterspel)
§  1959 Probleme zeitgenössischer Dichtung (lezingen)
§  1961 Das dreißigste Jahr (verhalenbundel)
§  1965 Ein Ort für Zufälle
§  1965 Der junge Lord (libretto)
§  1971 Malina (roman, deel I van Todesarten)
§  1972 Simultan (verhalenbundel)
§  1973 Gier (verhalenbundel)
§  1978 Der Fall Franza (fragmentarische roman, deel III van Todesarten)
Requiem für Fanny Goldmann (niet uitgewerkt) is deel II van Todesarten.

maandag 20 januari 2014

GELUIDSKUNST [SOUNDART]

Geluidskunst of sound art
[Leyeloren 28]

Je hebt kunstgeluiden of geluidskunst. Een kunstgeluid is bijvoorbeeld het glasgerinkel dat Carolien Gehrels maakte toen zij als wethouder van cultuur in Amsterdam met een steen een raam kapotgooide van een te slopen stuk van de Sandbergvleugel van het Stedelijk Museum. Een statement vergezeld van een schervengericht. Het is gelukkig allemaal weer goed gekomen, met het Museum dan, al heeft het bergen geld en golven tijd gekost. Maar nu is het weer hommeles. De directeur stapt op.

Geluidskunst of sound art wordt door Wikipedia gedefinieerd als een vorm van kunst waarbij geluid gecombineerd wordt met beeldende kunst. Een definitie zonder pootjes; want alleen al een geluidsband zonder beeld, kan geluidskunst zijn.

Op 4 september 2013 overleed een van de bekendste geluidskunstenaars van Nederland: Dick Raaijmakers, alias Kid Baltan. Hierover verder meer.

Het oudst bekende geluidskunstwerk komt voor in het toneelstuk is R.U.R. wat de afkorting is van Rossum's Universal Robots. een stuk gemaakt door Karel Capek (en zijn broer Jozef). Het ging in 1921 in première in Praag. Het gaat over kunstmatige mensen die de echte mensheid bedreigen, tot er nog maar één mens over is. 


Wikipedia vermeldt dit:Het toneelstuk R.U.R. (Rossum’s Universele Robots) van Karel Čapek is geschreven in 1920 en voor het eerst opgevoerd op 25 januari 1921. Het stuk heeft de reputatie het woord “robot” in de wereld te hebben gezet. “Robot” is afgeleid van het Tsjechische woord “robota”, wat zoveel betekent als saai werk, zwoegen en dienstbaarheid. Een “robotnik” is een boer of lijfeigene.
Overigens lijken Čapek’s robots niet op wat wij nu onder robots verstaan: tegenwoordig zouden we het eerder resultaten van genetische manipulatie noemen. Čapek heeft het over “kneedmachines” en “vaten” waaruit een chemische substantie komt die met behulp van drukpersen tot een mensachtig wezen wordt gevormd. Op het toneel zien ze er uit als normale menselijke wezens, een gegeven dat ook gebruikt wordt.
Uiteindelijk wordt iedereen (buiten beeld, het blijft netjes) door de robots vermoord. Er blijft één mens over: de fabrieksarbeider Alquist, de enige mens die zelf ook iets zichtbaars produceerde en dus, in de ogen van de robots, met hen op gelijke voet staat.
In de slotscène is de hele mensheid, behalve Alquist, omgebracht. De robots blijken echter niet in staat zichzelf te reproduceren (het geheim hiervoor is door Helena vernietigd) en vragen aan Alquist ze te helpen voor ze uitsterven. Omdat Alquist geen wetenschapper is, lukt dit niet. Het stuk eindigt als twee van de op Helena’s verzoek gemodificeerde robots (Helena en Primus) op elkaar verliefd blijken te zijn en zich als Adam en Eva terugtrekken. Wat er verder gebeurt en of ze zich ook kunnen voortplanten wordt niet verteld.

Wat Wikipedia niet vermeldt is dat er voor die tijd wonderlijke muziek bij hoorde; hoe die gemaakt werd is niet duidelijk/. Op You Tube is een opvoering te zien door studenten van Университет ИТМО, de technische universiteit van Sint Petersburg. Daar wordt het geluid, zo te horen, geproduceerd met synthesizers en computers. Ze spelen in het Engels! Het eind van deze opvoering is wat veranderd; terwijl de twee overgebleven robots heel menselijk staan te zoenen, komt er een kinderballet van robotjes op, waarachter het verliefde duo verdwijnt. Zijn dat hun kindertjes die de wereld gaan bevolken?

Ook uit die dadaïstische tijd van R.U.R. stamt de Ursonate van Kurt Schwitters. Dat is een vocaal werk vol oergeluiden en onbegrijpelijke woorden; eigenlijk meer keelgeluidmakers kunst, maar geen muzikale compositie van toonreeksen. De enorme lawaaimachines van Luigi Russolo komen in de buurt.
In de jaren zestig kreeg Dick Raaijmaekers bij Philips in Eindhoven de vrije hand om in het Natuurkundig Laboratorium zijn ideofonen te maken met behulp van een circus bandrecorders en toongenerators. Het grote project werd de ideofonische muziek voor het Philips paviljoen op de wereldtentoonstelling in Brussel 1958. Samen met Edgard Varèse maakte Kid Baltan een compositie van 507 seconden die begint met het bonzen van de bourdon van de grote kerk in Delft.