Mjn vader
Mosae
Gargouley 2
[19060106]
Baarle
Nassau is een raar dorp.
Het
is helemaal vervlochten met een ander dorp: Baarle Hertog.
Het
ene dorp hoort bij Nederland en het andere dorp bij België.
De
meeste stukjes van Baarle -Hertog zijn omringd door stukken Baarle-Nassau.
Men
noemt zulke gebieden enclaves.
Er
zijn ook stukjes Nederland binnen zo’n Belgische enclave.
Als
je er rondloopt ben je dan weer in Nederland en dan weer in België.
Gelukkig
hebben de gemeenten de grenzen aangegeven in de straattegels, zodat je weet
waar je bent.
In
Zondereigen dat in België ligt, ligt ook een enclave die hoort bij
Baarle-Nassau.
Daar
staat nog een stuk van het dodelijke electrische hek dat de Duitsers in de
Eerste Wereldoorlog hebben aangelegd.
Tussen
de draden zetten de bewoners een houten kratje zonder bodem, zodat iemand kon
ontsnappen aan de Duitse bezetting van België.
Nederland
deed niet mee aan de Eerste Wereldoorlog omdat het onafhankelijk was.
Dat
Baarle-Nassau toen een smokkelgat was, moge duidelijk zijn.
Toen
er In Nederland nog een zondagsluiting verplicht was voor de winkels gingen
veel mensen op zondag winkelen en friet eten in Baarle. Je kunt er ook benzine
tanken voor veertig cent minder dan in Nederland.
De
shag is er nog goedkoop, maar het meeste bier niet meer.
Mij
vader werd geboren in Baarle-Nassau op driekoningendag 1906.
Zijn
vader had een sigarenfabriek en een tabakshandel; de laatste samen met de
Belgische familie Janssen-Bruininckx.
De
tabak kwam onder meer uit Sumatra en Brazilië.
Drie
broers waren ook sigarenmakers; in Bladel, in Lage Mierde en in Arendonk.
Hun
vaders en al hun voorvaderen waren boer en een enkele molenaar of pater.
Dat
was zo tot aan het eind van de 19de euw.
Het
Brabantse boerenland bracht weinig op en de zonen werden ondernemers in eigen
bedrijfjes, m.n. in de tabak en de schoenmakerij.
Op
de schaarse foto’s uit die tijd zie je mijn grootvader: een trotse man met een
knevel.
Het
gezin had een kindermeid en een huishoudster.
Mijn
opa overleed plotseling toen mijn vader drie jaar oud was. Hij was pas 37 jaar.
Mij
vader heeft dus geen directe herinnering aan zijn vader.
Mijn
grootmoeder en haar oudste zoon zetten het tabaksbedrijf voort.
Mijn
oma dreef ook daarnaast nog een herberg.
De
fabriek en de herberg stonden recht tegenover het station.
Daar
overnachtten meestal handelsreizigers op weg naar België.
Mijn
vader ging vanaf zijn twaalfde of pas met zijn zestiende jaar met de stoomtrein
naar de handelsschool in Tilburg.
Soms
reed er een koninklijk rijtuig mee met aan boord koningin Wilhelmina.
Ze
ging dan via Turnhout naar Antwerpen en vervolgens naar Brussel waar ze familie
bezocht.
Onderweg
overnachtte ze -niet in Baarle – maar in Riel.
Het
rijtuig werd dan afgekoppeld in het station van Riel.
In
Tilburg wilde ze niet komen, vanwege het liefdesleven van haar opa Willen II.
In
1928 ging mijn vader Tilburg werken bij de Volt.
Dat
werd later een Philipsvestiging.
De
spoorlijn Tilbug – Turnhout is nu een
fietspad.
Mijn
vader was in pension bij de nazaten van de familie Janssen-Bruyninckx in Tlburg
Dat
was dichter bij de Volt.
In 1929 ging het bedrijf van mijn grootmoeder
failliet.
Ze
had te veel tabak ingekocht en door de crisis was ook de sigaar de sigaar.
Ze
overleed in datzelfde jaar, 64 jaar oud.
Er
is vast een verband tussen de crisis en haar overlijden.
De
sigarenmakers hadden door de crisis veel minder tabak nodig en ze gingen
failliet of fuseerden met andere sigarenmakers.
Mijn
grootouders van vaderskant heb ik dus nooit gekend.
Mijn
vader trouwde in 1937 met mijn moeder.
Mijn
moeder overleed in 1979, ze was 72 jaar geworden.
De
gouden bruiloft hebben ze dus niet gehaald.
Haar
vader was wever en werkte dus, zoals bijna alle werkenden in Tilburg in een textielfabriek.
Daar
stond Tilburg vol mee.
Er
waren er wel honderd.
Van
die fabrieken is bijna niks meer over.
In
1944 werd ik geboren
Met
een gezin van twee kinderen en een derde op komst was mijn vader geen
oorlogsheld, op één daad na dan.
Hij
werkte als boekhouder bij de Volt ,waar ze onderdelen maakte voor radio’s en
seinlampen.
De
hele buurt werkte trouwens bij de Volt, al waren ze niet allemaal boekhouder.
Dat
ging ik de oorlog gewoon door.
De
Duitse bezetters konden die spullen van de Volt goed gebruiken.
In
mei 1943 m moest iedereen de radio inleveren.
Ook
mijn vader.
Hij
vertelde er niet bij dat hij nog een tweede radio had verstopt onder de
zolderplanken.
Op
een dag in 1944 belde er een buurjongen aan met de vraag of hij naar de Engelse
zender op de radio van mijn vader mocht luisteren.
Hij
was een maand met verlof.
Hij
had zich aangemeld bij de Waffen SS om tegen die vuile communistische Russen te
vechten.
Hoe
wist die jongen dat mijn vader nog een radio had?
En
of hij dat niet zou melden bij de Duitse autoriteiten?
Mijn
vader had kunnen zeggen dat hij geen radio had.
Dat
dat maar praatjes waren van de buren.
Maar
waarom was hij dan zo goed op de hoogte van het nieuws van het westelijk front?
Iedereen
in de buurt wist dat mijn vader nog een radio had.
Een
buurtgenoot zou je niet verraden.
De
geschiedenis heeft bewezen dat dat bepaald niet het geval was.
Mijn
vader liet de buurjongen binnen en ze luisterden naar de BBC.
Het
stond er niet best voor voor de Duitsers dan.
In
het westen waren de geallieerde al tot de Rijn opgerukt.
De
buurjongen ging weer terug naar het Oostfront.
Niemand
heeft hem nog ooit terug gezien.
Mijn
vader heeft nog nachten wakker gelegen van zijn heldendaad.
Na
de oorlog werd mijn vader lid van De KVP.
Hij
las kranten, Elsevier en de Haagsche Post.
Hij
was politiek op de hoogte.
Tegen
de verkiezingstijd hing hij affiches voor het raam met KVP lijst 2.
In
die tijd haalde de KVP wel vijftig zetels, ze moest dus altijd regeren in een
coalitie
De
KVP en de opvolger het CDA was altijd bereid om of met de VVD of De PvdA in
zo’n coalitie te stappen.
Dan
pestte ik hem met de slogan: Lijst 2 CDA, geen nee geen ja CDA, Lijst2, geen ja
geen nee.
Hij
was overal penningmeester van, o.a. van het klokkenfonds van de parochiekerk.
De
Duitsers hadden alle drie de klokken van de Broekhovense kerk gestolen om
kanonslopen te gieten.
Toen
ik twaalf was, werd de eerste nieuwe klok van Eijsbouts in de toren gehesen.
Toen
mijn ouders verhuisden naar de Korenbloemstraat woonden ze vlak bij de kerk van
pastoor Harmen, die op zondagmorgen de klokken liet luiden om de mensen op te
roepen naar de mis te gaan.
Daar
hadden de bewoners van de minder welgesteld wijk geen zin in en ze
protesteerden tegen het lawaai van de klokken.
In
de jaren tachtig gingen ze niet meer naar de kerk.
Ze
waren ook boos omdat de pastoor in de preek had gezegd dat de bewoners aan de
villakant van de parochie veel meer geld gaven aan de gezinsbijdrage dan die aan
de arme kant.
Ze
stemden ook niet meer op de KVP.
De
gemeente verbood de pastoor om de klokken te luiden.
Maar
daar trok Harmen zich niets van aan.
Dat
kwam in de kranten te staan.
Zo
werd de pastoor landelijk bekend als de klokkenluider van de kerk van Margrita Maria
ã la Coque.
Mijn
vader vond het een veeg teken van de tijd.
De
tijd gaf tekens dat het bergafwaarts ging met de beschaving.
Dat
begon eigenlijk al toen ook sommige dames gingen fietsen.
Het
zadel zou hen een zekere lust kunnen bezorgen.
Dat
was al in de tijd dat mijn grootvader nog trots zijn knevel droeg.
Willem
Frederik Hermans vroeg zich al af of de Tijd tekens kon geven.
In
1967 gaf hij daar een lezing over aan de
studenten Nederlands van de faculteitsvereniging Helios in 1969.
Maar
daarover moet je Leijsteen 14 lezen.
Dat
de Russen een muur optrokken tussen West- en Oost was voor mijn vader een nagel
aan zijn doodkist.
Na
een lerarenreis naar Berlijn in 1987 vertelde ik hem dat de muur er niet lang
meer zou staan.
Teveel
mensen In Oost-Duitsland waren het systeem van corruptie en onderdrukking, maar
ook hun waardeloze monopoly-geld zat.
Mijn
vader kon mij niet geloven.
De
muur zou nooit verdwijnen.
Hij
overleed in augustus 1989.
Drie
maanden later werd de muur gesloopt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten