woensdag 7 januari 2026

LEIJSTEEN 14

 LEIJSTEEN 14

In 1951 verscheen Ik heb altijd gelijk van Willem Frederik Hermans.

Dit ‘ik’ slaat op de hoofpersoon, ene Lodewijk Stegman, maar indirect op Hermans zelf, want die spreekt met de mond van Stegman.

Op bladzijde 26 (van de herziene druk) wordt het katholieke volksdeel beledigd.

“Die katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar díe naaien er op los. Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen.[…] Over twintig jaar hebben de katholieken in Nederland de meerderheid.”

In 1952 stond Hermans voor de rechter omdat hij wegens belediging was aangeklaagd.

Er ontstond veel ophef, inbeslagnames en volgeschreven kranten.

Hermans werd vrijgesproken, omdat  “de gebezigde woorden in de mond worden gelegd aan en worden weergegeven als gedachten van een in de roman voorkomende persoon, die in de loop van het verhaal wordt voorgesteld als een verlopen, drankzuchtige, wegens corruptie in het leger gedegradeerde psychopaath, die zijn afkeer tegen het leven en tegen de Nederlandse zeden, gebruiken en opvattingen in ruwe taal uit, daarbij de gevoelens zijner medemensen - onverschillig of deze tot de katholieke of tot een andere bevolkingsgroep behoren - niet sparende. “

Dat zei het hof.

Ruwe taal.

Ludwig Wittgenstein, Hermans’ lievelingsfilosoof, was zich ervan bewust dat hij filosofie bedreef in een gecorrumpeerde, ongezuiverde taal.

Beledigen is in Nederland toegestaan als dat gebeurt met de taal van een verhaalpersoon.

Je kunt dat beter niet doen in het huidige Rusland.

Sinds dit proces werd beledigen een nieuw fenomeen in de romankunst.

Of beter gezegd het zich beledigd voelen.

Na Hermans kwam Gerard Kornelis van ‘’t Reve met een passage waarin hij copuleerde met God in de gedaante van een ezel om wiens hoeven hij – Reve- zwachtels had gedaan om geen schade toe te brengen als God spartelend klaarkwam.

Hermans vond later dat zijn voormalige vriend zich verloor in de ambitie een verdachte geur van heiligheid te verspreiden ‘met de ezelspoep nog aan zijn piemeltje’.

Reve nam niet eens de moeite om dit te laten vertellen door een verhaalfiguur of anders gezegd de verhaalfiguur was Reve zelf.

Het proces wegens belediging werd bekend onder de naam ‘ezelsproces’.

Ook Reve werd vrijgesproken.

Mensen voelden zich niettemin beledigd door de vrijmoedigheid van Reve en ook van Jan Wolkers.

Niettemin werden  Kort Amerikaans en Turks fruit in massa-oplagen verkocht en ook de verfilming van Turks Fruit kon op massaal bezoek rekenen.

Jan Wolkers was een sympathieke man, wat niet gezegd kan worden van de misantrope Willem Frederik Hermans en de niettemin begaafde maar arrogante Harry Mulisch.

Hermans noemde Mulisch een kale opschepper.

Met Mulisch was Hermans ook gebrouilleerd.

In Liesje in Luiletterland komt Mulisch voor als de best gekapte schrijver van Nederland.

Hij ontvangt dagelijks vrouwelijke fans, die in een wachtkamer wachten op een beurt.

In zo’n beurt heft hij het niet-zijn bij hen op door het te vullen met zijn Zijn waardoor er een gloedvol wel-zijn ontstaat.

In 1967 gaf Hermans een lezing voor de faculteitsvereniging Helios in hotel Krasnapolsky.

Helios is een acroniem voor Historie En Letteren Is Onze Studie.

De lezing heette: Kan de Tijd tekens geven.

Dat kan de tijd niet.

Volgens professor G.J.P.J. Bolland wel.

Bolland constateerde tijdens een academische les anno 1921 het verval der zeden.

Dat kwam omdat er vrouwen waren die op een fiets gingen rijden.

“Het schokken en schudden van de fiets waren zeer verderfelijk voor den vrouwelijke onderbuik, om niet te spreken van de fiets als middel tot heimelijk verkeer.”

Iets verderop krijgt het Internationale Jodendom met citaten uit de Bijbel ook nog de schuld van de verkankerdheid der wereld.  

Hier is een regelrechte antisemiet aan het woord.

Maar hij was wel populair destijds.

Toen de Duitsers Nederland hadden bezet werd de les van Bolland prompt herdrukt en in grote aantallen verspreid.

Ziedaar de Teekenen des Tijds

Het gezever over het verval der zeden is van alle tijden.

Ongehuwde moeders werden gestraft door hun baby af te pakken.

Van masturberen werd je niet alleen bleek maar je vermagerde sterk door ruggenmergtering.

Dat stond in het boekje Stomme Zonden  dat Jan Wolkers aantrof in de gereformeerde boekenkast.

Het gezin – een elftal bij elkaar – gaan een dagje naar het strand.

Dwalend door de duinen ziet de verteller een jongen die hem voorstelt om te geilpompen.

“Ik (…) keek zijn naar zijn rug, die nu hij zat nog krommer en breekbaarder leek.”

Dat komt ervan.

Het stond al in Stomme zonden.

Verderop in de duinen lag de dominee naast zijn fiets met een strooien hoed op zijn hoofd.

Dat paste helemaal niet bij een dominee, vond de jonge Jan en slaat op de vlucht.

Te frivool, of was het een luchtspiegeling?

Soms zien we iets dat er niet is omdat we bang zijn dat er iets is.

Ee zwart gat is wel iets, maar dat er tegeljikertijd niet is.

Het grote raadsel is niet dat er iets is, maar waarom er niet niets is.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten