LEIJSTEEN 14
In 1951 verscheen Ik heb altijd gelijk van Willem Frederik Hermans.
Dit
‘ik’ slaat op de hoofpersoon, ene Lodewijk Stegman, maar indirect op Hermans
zelf, want die spreekt met de mond van Stegman.
Op
bladzijde 26 (van de herziene druk) wordt het katholieke volksdeel beledigd.
“Die
katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde
deel van ons volk! Maar díe naaien er op los. Die planten zich voort! Als
konijnen, ratten, vlooien, luizen.[…] Over twintig jaar hebben de katholieken in
Nederland de meerderheid.”
In
1952 stond Hermans voor de rechter omdat hij wegens belediging was aangeklaagd.
Er
ontstond veel ophef, inbeslagnames en volgeschreven kranten.
Hermans
werd vrijgesproken, omdat “de gebezigde
woorden in de mond worden gelegd aan en worden weergegeven als gedachten van
een in de roman voorkomende persoon, die in de loop van het verhaal wordt
voorgesteld als een verlopen, drankzuchtige, wegens corruptie in het leger
gedegradeerde psychopaath, die zijn afkeer tegen het leven en tegen de
Nederlandse zeden, gebruiken en opvattingen in ruwe taal uit, daarbij de
gevoelens zijner medemensen - onverschillig of deze tot de katholieke of tot
een andere bevolkingsgroep behoren - niet sparende. “
Dat
zei het hof.
Ruwe
taal.
Ludwig
Wittgenstein, Hermans’ lievelingsfilosoof, was zich ervan bewust dat hij
filosofie bedreef in een gecorrumpeerde, ongezuiverde taal.
Beledigen
is in Nederland toegestaan als dat gebeurt met de taal van een verhaalpersoon.
Je
kunt dat beter niet doen in het huidige Rusland.
Sinds
dit proces werd beledigen een nieuw fenomeen in de romankunst.
Of
beter gezegd het zich beledigd voelen.
Na
Hermans kwam Gerard Kornelis van ‘’t Reve met een passage waarin hij copuleerde
met God in de gedaante van een ezel om wiens hoeven hij – Reve- zwachtels had
gedaan om geen schade toe te brengen als God spartelend klaarkwam.
Hermans
vond later dat zijn voormalige vriend zich verloor in de ambitie een verdachte
geur van heiligheid te verspreiden ‘met de ezelspoep nog aan zijn piemeltje’.
Reve
nam niet eens de moeite om dit te laten vertellen door een verhaalfiguur of
anders gezegd de verhaalfiguur was Reve zelf.
Het
proces wegens belediging werd bekend onder de naam ‘ezelsproces’.
Ook
Reve werd vrijgesproken.
Mensen
voelden zich niettemin beledigd door de vrijmoedigheid van Reve en ook van Jan
Wolkers.
Niettemin
werden Kort Amerikaans en Turks fruit in
massa-oplagen verkocht en ook de verfilming van Turks Fruit kon op massaal
bezoek rekenen.
Jan
Wolkers was een sympathieke man, wat niet gezegd kan worden van de misantrope
Willem Frederik Hermans en de niettemin begaafde maar arrogante Harry Mulisch.
Hermans
noemde Mulisch een kale opschepper.
Met
Mulisch was Hermans ook gebrouilleerd.
In
Liesje in Luiletterland komt Mulisch voor als de best gekapte schrijver van
Nederland.
Hij
ontvangt dagelijks vrouwelijke fans, die in een wachtkamer wachten op een
beurt.
In
zo’n beurt heft hij het niet-zijn bij hen op door het te vullen met zijn Zijn
waardoor er een gloedvol wel-zijn ontstaat.
In
1967 gaf Hermans een lezing voor de faculteitsvereniging Helios in hotel Krasnapolsky.
Helios
is een acroniem voor Historie En Letteren Is Onze Studie.
De
lezing heette: Kan de Tijd tekens geven.
Dat
kan de tijd niet.
Volgens
professor G.J.P.J. Bolland wel.
Bolland
constateerde tijdens een academische les anno 1921 het verval der zeden.
Dat
kwam omdat er vrouwen waren die op een fiets gingen rijden.
“Het
schokken en schudden van de fiets waren zeer verderfelijk voor den vrouwelijke
onderbuik, om niet te spreken van de fiets als middel tot heimelijk verkeer.”
Iets
verderop krijgt het Internationale Jodendom met citaten uit de Bijbel ook nog
de schuld van de verkankerdheid der wereld.
Hier
is een regelrechte antisemiet aan het woord.
Maar
hij was wel populair destijds.
Toen
de Duitsers Nederland hadden bezet werd de les van Bolland prompt herdrukt en
in grote aantallen verspreid.
Ziedaar
de Teekenen des Tijds
Het
gezever over het verval der zeden is van alle tijden.
Ongehuwde
moeders werden gestraft door hun baby af te pakken.
Van
masturberen werd je niet alleen bleek maar je vermagerde sterk door ruggenmergtering.
Dat
stond in het boekje Stomme Zonden dat Jan
Wolkers aantrof in de gereformeerde boekenkast.
Het
gezin – een elftal bij elkaar – gaan een dagje naar het strand.
Dwalend
door de duinen ziet de verteller een jongen die hem voorstelt om te geilpompen.
“Ik
(…) keek zijn naar zijn rug, die nu hij zat nog krommer en breekbaarder leek.”
Dat
komt ervan.
Het
stond al in Stomme zonden.
Verderop
in de duinen lag de dominee naast zijn fiets met een strooien hoed op zijn
hoofd.
Dat
paste helemaal niet bij een dominee, vond de jonge Jan en slaat op de vlucht.
Te
frivool, of was het een luchtspiegeling?
Soms
zien we iets dat er niet is omdat we bang zijn dat er iets is.
Ee zwart gat is wel iets, maar dat er tegeljikertijd niet is.
Het
grote raadsel is niet dat er iets is, maar waarom er niet niets is.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten