maandag 27 januari 2020

SEMIOTIEK - Interpretatie van taal en tekens

SEMIOTISCHE DWAALWEGEN

De semiotiek ging oorspronkelijk over de uitleg, de interpretatie van tekens, zoals van seinen en verkeersborden. In 1906 werd de semiotiek 'uitgevonden' door Ferdinand de Saussure en via o.a. Roland Barthes en Michel Foucault ging de semiotiek eigenlijk over alles wat een boodschap uitzendt: teksten, toespraken, praatjes en reclameborden, maar ook kleding, kleuren, symbolen; kortom alles wat betekenis kan dragen. In de communicatie met taal en tekens draagt alles betekenis. De grootste bijdrage aan de semiotiek komt van Umberto Eco, lector in semiosis.
Wat is de naam van de roos? Roos! Maakt het wat uit waarom een roos roos wordt genoemd? Zegt het iets over haar geur of functie (welzeker: je geeft een geliefde een roos; geen aronskelk) of zou de roos anders ruiken als ze anders heette, vroeg Shakespeare zich al af. Ooit heeft de rode roos zich genesteld in de harten als het symbool van de hartstocht. De roos heeft betekenis gekregen. Het is niet zomaar een bloem.

Alles wat we horen, lezen en zien wordt door ons geïnterpreteerd. Dit gebeurt in eerste instantie op een basaal – semantisch niveau, de letterlijke betekenis. De ontvanger probeert de boodschap te begrijpen op het niveau van een mededeling. Laten we zo’n mededeling eens nader bekijken.

Het eten is klaar

Iemand roept tegen zijn huisgenoot: het eten is klaar; dus denkt de ontvanger: ik moet nu aan tafel gaan zitten om te eten. Is het een buurman die toevallig deze roep hoort dan denkt hij: 'O, hiernaast gaan ze eten.' Maar is het een ober in een restaurant die dit hoort, dan weet dat hij moet opdienen.

 Je merkt op dat je al drie manieren zijn waarop de ontvanger de boodschap interpreteert. Het kan ook zijn dat de ontvanger juist ruzie heeft gehad met de boodschapper over de keuze van het voedsel en denkt: barst maar, ik ga dat mooi niet eten! Al blijft de letterlijke betekenis dan onaangetast. Het is ook mogelijk dat de boodschap een code is. Bijvoorbeeld wanneer deze mededeling in oorlogstijd over de radio klinkt. Een verzetsgroep weet dat ze in actie moet komen.
Wanneer alleen al in zulke basale situaties van de mededeling al meerdere interpretaties mogelijk zijn, want voor uiteenlopende verklaringen kan dan een wat mysterieus gedicht niet opleveren. En zijn die verklaringen dan alle geldig? Want er zijn grenzen aan de interpretatiekunde.


In bovenstaande zin kun je de drie elementen van de mededeling nader bekijken.
1.       De bedoeling van de boodschapper (bij een boek: de schrijver = intentio auctores). In de dagelijkse context betekent dit dat de boodschapper wil dat men komt eten/etenstijd.  

2.      De inhoud van de boodschap (bij een tekst of lezing = intentio operis) is eenduidig: er is voedsel gereedgemaakt dat (eindelijk)  klaar is (om op te eten).

3.       Bij de ontvanger (bij een tekst is dat de intentio lectoris) betekent het dat
 die moet of kan gaan eten. Of hij denkt: eten dat zo vlug klaar is, dat zal wel opgewarmd zijn.

Op het niveau van een simpele mededeling is er weinig diepgaands te interpreteren. Ze heeft een louter informatieve functie. In de dagelijkse omgang is dit de meest voorkomende functie. er wordt iets praktisch gezegd, zonder bijbedoeling. Dit is de eerste functie van de taal. 

Tijd dus om eens beter te kijken wat er nu eigenlijk gebeurt wat we lezen als we lezen. 

De kritische lezer
Grofweg kun je twee soorten lezers definiëren. De naïeve, argeloze lezer of semantische lezer. Die vat de tekst op zoals die er staat. Hij leest 'niet door de regels heen'. Daarnaast is er de kritische of semiotische lezer die onderzoekt of en waarom een tekst bepaalde semantische betekenissen produceert, of er a.h.w. betekenislagen verborgen liggen, bijvoorbeeld door te letten op de context. Is de verteller betrouwbaar; gebruikt hij bepaalde woorden of een code die alleen vertrouwelingen door hebben? 
En dan is er nog de anagogische lezer die in een tekst vooral vindt wat hij er zelf in stopt omdat hij/zij  een complotdenker, een fantast of een gelovige is. Een voorbeeldvan een anagogische manier van interpreteren: Als het Joodse volk vlucht uit Egypte naar het beloofde land, laat God de (Rode) zee splijten en vlak voor de achtervolgers weer sluiten. De anagoog kan hierin een verwijzing zien naar de levensweg van de ware gelovige naar het hemels paradijs. Is het een historisch verhaal of heeft de schrijver er (nog) een bedoeling mee? De bedoeling is dan dat alles in de Bijbel wordt uitgelegd als een verwijzing naar het hemelse Jeruzalem. In dit geval zou dat kunnen, want de tekst is bijna duizend jaar jonger dan de mogelijke datering van de exodus. Het verhaal wordt dan gebruikt om de lezer te laten denken dat zijn leven en zijn eindbestemming in Gods hand is.


Een procédé dat de lezer op de proef stelt, werd vaak gebruikt door Agatha Christie, bijvoorbeeld in The murder of Roger Ackroyd. Daar probeert de verteller de lezer te laten denken dat anderen de moord hebben gepleegd. De naiëve lezer trapt erin en hem of haar wordt aan het eind gevraagd de tekst nog eens te lezen, omdat de verteller zijn misdrijf niet verborgen heeft gehouden. De kritische lezer (die dat wel doorheeft en de plot dan al kent) kan dan in tweede instantie de vertelkunst van Agatha Christie nog eens verifiëren en bewonderen. (wordt vervolgd).

donderdag 2 januari 2020

Anton Dautzenberg spreekt stal


Anton Dautzenberg vertelt tijdens jazzfestijn over een boek uit 1923 over de toekomst in 2020 

Ik had er nooit van gehoord, maar in 1923 publiceerde Maurits Wagenvoort Een huwelijk in 2020. In 2020 loopt iedereen met een fotofoon op zak: een ding waarmee je kunt bellen en fotograferen. Handig! Ook zou het kapitalisme zijn afgeschaft en kinderen zouden niet door hun ouders maar in staatsopvoedingshuizen, alias kindertuinen worden grootgebracht. De staatsgesubsidieerde kinderopvang doet nu in elk geval veel politiek stof opwaaien. Ook zouden we alleen nog een soort voedzame pastilles eten (had hamburgers moeten zijn).

Dit o.a. meldde De Volkskrant op 31 december 2019 in een stuk over hoe ze vroeger dachten hoe het er later uit zou zien. Voorspellen is nogal moeilijk. Zo'n fotofoon was redelijk voorspelbaar. In 1923 had je telefoons en fototoestellen. Maak er één apparaat van. Zo'n uitvinding is niet toevallig. Maar minder toevallig is dat het voor mij onbekende boek van Wagenvoort binnen vier dagen tweemaal werd behandeld.

Op 28 december 2019 trad stadsdichter Anton Dautzenberg op als spreekstalmeester bij het muziekfestijn Stranger than paranoia (Paradox Tilburg). Hij had het boek van Wagenvoort in zijn hand en hij onthulde nog andere details uit dit curieuze boek, dat in het voorjaar opnieuw verschijnt (dankzij AHJD). De spreekstalmeester trad drie keer op voorafgaand aan het optreden van elke band. Hij nam er de tijd voor, terwijl de muzikanten wachtten. Bij de derde keer werd het wat onrustig, zowel op podium als in de zaal. Het was al half twaalf. Een vaste kern in zijn toespraken vormde dat boek van Maurits Wagenvoort. Een aantal voorspellingen in het boek waren dichtbij de huidige werkelijkheid, zoals hierboven geschreven. De stalmeester bereed voorts zijn stokpaardjes, m.n. de slappe staat van de hedendaagse literatuur en kritiseerde alle kunsthotemetoten, de commissies, besturen, adviseurs en cultuurambtenaren die allemaal meer verdienen dan de gemiddelde kunstenaar. Ook hekelde hij de boekenmarkt. Het moet tegenwoordig allemaal non fictie zijn, dus waar gebeurd. In de top meest verkochte boeken staan prutswerken over criminelen en voetballers. Voor de verbeelding is weinig ruimte. Het had allemaal weinig te maken met het muziekprogramma. Blijkbaar benutte Dautzenberg zijn functie als stadsdichter dat hem een podium bood om zijn gram over de cultuur te spuien en wat sneren uit te delen over zijn kunstbroeders. Dat deed hij ook op de boekenmarkt in augustus jl. Dautzenberg noemde nog wat frappante details uit dit boek, zoals het vervagen van het onderscheid der seksen (volgens mij krijgen we er juist een half alfabet bij) en ook zouden we dagelijks een potje naakt worstelen (het gemiddelde is nu twee keer per maand). Hij was niet erg te spreken over de stijl van Wagenvoort, maar die is toch altijd nog minder erg dan die van iemand die De Nachtstemmer schreef.
De klok tikte verder; het was al middernacht toen Serigne Gueye Africa Unite zong. Mochten we eindelijk ook eens onze stem gebruiken.


zondag 29 december 2019

OVER LICHT

OVER LICHT



Newton deed de luiken voor de ramen in zijn studeerkamer dicht, boorde een rond gat in een luik, prutste er een buis in en aan de andere kant van de buis plaatste hij een prisma. Het zonlicht viel door de buis via het prisma op een wit vlak. Daar projecteerde de zon een kleurenbeeld waarin het licht werd ontleed in zeven kleuren: violet, blauw, groen, geel, oranje en rood. Dat zijn er zes. Dat klopt. Newton had er een extra kleur bij bedacht tussen violet en blauw, nl. indigo, maar die kleur is moeilijk apart te onderscheiden. Er moesten van hem zeven kleuren zijn, zoals er zeven planeten, zeven zusters, zeven bergen en zeven hoofdzonden zijn. En dat nog lang voor dat Disney aan juffrouw Sneeuwwit (de zon) zeven dwergen (de planeten) gaf.

Wat is er nu echt te zien in dat zonnespectrum? Hoe kan ik dit nagaan? Ik zocht naar illustraties over licht, naar foto's en schilderijen? Zijn ze niet gemanipuleerd? Hoe kan ik het licht zelf zien, zonder gedoe met luiken en buizen en prisma's? Maar wat ik zoek, ligt al jaren voor mijn voeten. Elke namiddag in mijn kamer als de zon naar binnen schijnt. De salontafel heeft aan de zijkant geslepen randen en die werken als een prisma. De kleuren staan gewoon op de houten vloer, al schijnen er wat vieze strepen door van het parket en is het beeld vertekend door de schuine invalshoek.

 [Lichtspectrum op kamervloer, 27-10-2019 om 15,28 uur (zomertijd) 5 graden OL en 52 NB]

Goethe die jarenlang werkte aan zijn kleurenleer, had in zijn studeerkamer door een prisma naar een witte muur gekeken, maar hij zag, zij het wat verstrooid, nog steeds een witte muur. Hij had ook naar de hemel kunnen kijken na een gepasseerde onweersbui, maar dat deed hij niet. In zijn kleurenleer moest het rood, de baas van de kleuren, in het midden van het kleurenspectrum staan.
En zegt u nu zelf: het rood staat hierboven nergens in het midden.
Terwijl Newton het licht echt wetenschappelijk onderzocht, maakte hij toch een rare beslissing voor die zeven kleuren. Slechts zes kleuren in het spectrum en een regenboog met rood bovenaan, dat moeten toch fouten zijn van de natuur. Dat kan theoretisch beter. Het genie verdraagt geen hoger licht.

Ik ben bezig met het bestuderen van theorieën over de betekenis van kleuren in de taal en het verschil met de natuurkundige definities. Kleur is een natuurverschijnsel, zoals avondrood en hemelblauw. In de schilderkunst gebruikt men geen zonlicht, maar pigmenten. Daarin zijn wit en zwart kleuren. In het heelal bestaat wit noch zwart. Er is veel licht (voor ons oog overstralend hel), verschuivend licht (dat verkleurt), gereflecteerd licht (de gele maan) of is er helemaal geen licht. Een zwart gat is niet zwart, er is geen licht meer, er is niets te zien. Absolute donkerheid. Het is een eng idee, zo'n omgekeerde megavulkaan die alle licht en materie opslurpt. Maar de natuur kent geen emoties.

In de taal zijn kleuren rijk aan emotie. Als de identiteitspolitie iemand een oude witte man noemt, dan is hij blijkbaar iemand met een suspecte indenteit met voorouders die slaven verhandelden en de koloniën leegplunderden. Nou, mijn superbetovergrootvaders in de 17de eeuw ploeterden op de zandgronden van Oostbrabant om hun veeltallige roomse kindertjes (met hun blanke zielen, maar bleekwitte gezichtjes) van roggebrood en möllekepap te voorzien. Niks gouden eeuw voor hen toen. Latere generaties gingen sigaren maken voor meneer pastoor en de fabrikant. Dikke bruine bolknakken en corona's. Om ze te kunnen roken, moest je er met een mini-guillotine een kroontje aan de mondzijde uit knippen. Weg met dat vieze ding. Er zit geen bruin in het licht van de zon, maar wel het geel van de zomer, het blauw van de hemel en het rood van de liefde.


zaterdag 23 november 2019

MELANCHOLISCHE DWAALWEGEN

Melancholische dwaalwegen

Het eerste verhalenboek van Winfried Georg Sebald heette: Schwindel. Gefühle. Dat werd door Jos Valkengoed vertaald in Melancholische dwaalwegen. Op de kaft van de uitgave van Van Gennep in 1991 stond de hiernaast getoonde afbeelding: Cypressen van Paul Signac.
[Foto gemaakt in het Kröller Müller museum JM] De uitgave van Van Gennep was nogal slordig geredigeerd en werd uit de handel genomen. De auteursrechten werden overgenomen door de Bezige Bij.

Het boek heet sinds 2008 in de hervertaling van Ria van Hengel voor de Bij: Duizelingen. De meervoudsvorm van Schwindel [ Duizeling of duizeligheid] en dus zonder de gevoelens. Waarom?


In november 2019 zijn de vier 'beste 'boeken' van Sebald opnieuw uitgegeven door de Bezige Bij met nieuwe omslagen van Moker Ontwerp. De afbeelding van Duizelingen staat hiernaast.
Tja.
De boeken van Sebald die in 2001 verongelukte in de omgeving van Norwich (waar hij Duits doceerde) zijn alle doordrongen van een diepe melancholie, vooral in zijn allerbeste boek: Austerlitz. De vertalingen van Ria van Hengel zijn echt voortreffelijk en het drukwerk is onberispelijk. Maar dat gedoe met die omslagen en de titel van Schwindel niet.

Van Hengel (of de Bezige Bij) koos voor Duizelingen. Niet een titel die meteen doet denken aan melancholische verhalen. Anders gezegd: de eerste titel; Melancholische dwaalwegen past veel beter bij de inhoud. Van Gennep zette vlak boven de linkercypres de genre-aanduiding: roman. Maar het zijn vier afzonderlijke verhalen (o.a. over Kafka); een mix van feiten en fictie met kleine zwart-wit foto's die de melancholische thematiek nog sterker benadrukken. Duizelingen is geen goede titel, doet denken aan een psychische stoornis, maar vooruit. Erger is de geschiedenis met de omslagen. Van Gennep koos voor de naar links wuivende cypressen van Signac. Een mooi pointillistisch schilderij, maar niet direct een verbeelding van dwaalwegen.


De Engelse vertaling van Schwindel.Gefühle. heet Vertigo. Dat oog op de kaft en de titel slaan nergens op.

Bij de nieuwe omslagen van de Bij zijn vier doorkijkjes gemaakt vanuit een bunker. Waarom? Die bunkervisie is niet de visie van Sebald. Door de driehoek (boven) zie je in de verte een landschap (van de vorige druk van Duizelingen?)
Alle gevoelens in de boeken van Sebald zijn echter zacht en buigen mee als cypressen in de wind, Goed vertaald, lelijke omslagen.







zondag 13 oktober 2019

Ziekte van Weimar

DE ZIEKTE VAN WEIMAR

Wat is de ziekte van Weimar? 
Geen idee.
De ziekte schijnt grimmige pijn te veroorzaken.
Ene jonge Werther lijdt eraan.
Ernstig liefdesverdriet.
Hij pleegt zelfmoord.
Velen volgden zijn voorbeeld.
Melancholie. Teveel zwarte gal.
Maar is het de ziekte van Weimar?
Werther is een verhaalpersonage, bedacht door Goethe.
Die woonde in Weimar. Goethe dan
Hij was zeer beroemd.
Aan de Ilm, achter Goethes huis, staat een beeld: een bol op een kubus.
De bol is het hoofd en de kubus moet het dragen.
Zo steunt het concrete het weten.
Het Ding an sich.
Zo'n beeld wilde ze in Franeker ook.
Tenminste in een boek van Kees 't Hart.
Op de kaft van dat boek staat een afbeelding van een kleurencirkel.
Waarom?
Geen idee.
Goethe heeft jarenlang gewerkt aan zijn leer over de kleuren.
Hij schreef gevoelens toe aan kleuren.
Als je benauwd wordt, kom dat omdat je blauw ziet.
Maar het is niet de ziekte van Weimar.
Het boek van Kees 't Hart gaat helemaal niet over de gevoelens van de kleuren.
Het gaat over dat beeld.
De hoofdpersoon heeft een blokkendoosmodel bij zich van dat beeld.
Waarom staat er dan een kleurencirkel op de kaft?
En geen kubus en een bol?
Geen idee.
Franeker had een universiteit en daar moest ook een monument bij.
Zoals in Weimar.
Dus gaat er een delegatie met koetsen en paarden naar Weimar.
Op audiëntie bij Goethe om replicarecht te vragen.
Het is 1807, kort na de Slag bij Jena.
Europa vocht zich dood.
Chaos alom.
Er werd heftig geplunderd in de naam van vrijheid, gelijkheid en broederschap.
En dat was nog maar het opstapje naar de mislukte verovering van Rusland.
Daar was het lijden van de jonge Werther niks bij.
Maar is het de ziekte van Weimar?
In het boek gaat het over herenvocht dat zijn weg zoekt.
De jonge Werther had er ook last van.
Een angsthaas met vroegtijdige zaadlozingen.
Hij wil die geile gevoelens niet.
Ze staan de ware liefde in de weg.

Volgens Goethe zijn edele gevoelens oranjekleurig.
Het hoofd, de bol, heeft last van zijn drager, de kubus.
Maar is het de ziekte van Weimar?
Kan zijn.
Of is het de overdreven bewondering voor het genie in Weimar?
Het genie werkte meer dan twintig jaar aan een toneelstuk over een man die zijn ziel aan de duivel verkoopt.
Een middeleeuws motief.
Oude impotente man wordt verliefd op jonge vrouw. 
Hij ruilt zijn ziel in voor herwonnen liefdeslust.
Dat loopt verkeerd af.
De hoofdpersoon in 't Harts boek pikt een zwerfkind op dat met hem meereist, als was het zijn zoon.
De mannelijke variant van het Lolita-motief.
Eindelijk in Weimar aanbeland, geeft hij  het zwerfkind dat de taal van dieren verstaat, weg aan Goethe.
Goethe is niet meer geïnteresseerd in het beeld van de kubus en de bol, een vergeten pose.
Hij is geïntrigeerd door de kleine dierenfluisteraar en voegt hem toe aan zijn menagerie.
 
Goethe (Bron: De Volkskrant)
 Een verlichte geest die een slaafje houdt.
 Maar hij geeft geen toestemming voor het maken van een replica van het beeld.
 De hoofdpersoon en het teruggekomen zwerfkind trekken verder door Europa met een   indianencircus..
 Op de laatste bladzijde van het boek staat dat de hoofdpersoon spuugt op zijn houten bol en  kubus.
Is hij genezen van de ziekte van Weimar?
Geen idee.
In elk geval komt er in Franeker geen monument naar Goethes beeld.
We hebben nu wel een flink boek van 412 pagina's, zij het met grote letters.
Een merkwaardige roman van Kees 't Hart.
Er staan ook schaakpartijen in.
Zeer leerzaam en leesbaar dus.


zondag 30 juni 2019

In memoriam Wil Sterenborg



Stichting Tilburgse Taol onthult op 29 juni 2019 een gedenkplank voor Wil Sterenborg  in het Gedenkbos op de Spinder in Tilburg.





In NRC-Handelsblad van 15 juni 2019 staat een artikel n.a.v. het overlijden van Wil Sterenborg.

Onderstaande tekst [In memoriam Wil Sterenborg] is integraal gekopieerd van de website Neerlandistiek van Marc van Oostendorp.

Deze week [15 mei 2019 JM] overleed op 95-jarige leeftijd een ridder van het correcte Nederlands, de leeuw van het Tilburgs: Wil Sterenborg. Zijn naam zal niet heel veel mensen buiten Tilburg wat zeggen. Maar wie het nooit met hem aan de stok heeft gehad, heeft de afgelopen decennia waarschijnlijk nooit iets in het openbaar gezegd over taal.
Sterenborg was volgens het bericht dat het Brabants Dagblad aan hem wijdde, achtereenvolgens ‘conciërge, leraar Nederlands en conrector’ van het St. Odulphuslyceum in Tilburg. Het verhaal daarachter staat niet in de krant: Sterenborg had omdat hij ‘te kritisch’ was zelf nooit de middelbare school (een kleinseminarie) afgemaakt. Hij werd conciërge omdat hij van bijlesleerlingen hoorde dat dit baantje vrij was. Hij werd leraar omdat dit baantje vrij kwam en hij in zijn vrije tijd een MO-akte haalde. En zo groeide hij uiteindelijk ook in de conrectorsbaan.
Nadat hij op zijn zestigste pensioneerde, wierp hij zich vol overgave op het Tilburgs dialect, waarvoor hij de standaardspelling ontwierp; er zijn weinig of geen steden in Nederland die een zo algemeen geaccepteerde standaardspelling hebben als Tilburg). Het Woordenboek van de Tilburgse Taal, waaraan Sterenborg cruciale bijdragen leverde, staat sinds een aantal jaar online,
Hij raakte gaandeweg ook betrokken bij het Genootschap Onze Taal. De toenmalige directeur Peter Smulders was zo slim om hem binnen te halen. Sterenborg stuurde voortdurend brieven met correcties op artikelen in het tijdschrift van het genootschap en Smulders, zelf een Tilburger, wist hem ertoe te bewegen die correcties voortaan al in de kopij aan te brengen. Dat heeft hij jarenlang gedaan, zoals hij ook geruime tijd samen met Smulders de tekst van de Troonrede corrigeerde.
Ik heb het verschillende malen met Sterenborg te maken gehad; ik memoreer dat niet omdat ik denk dat dit nu zo belangrijk was in zijn leven, maar als voorbeeld van zijn persoonlijkheid. Eén hoofdstuk van mijn proefschrift gaat over de klinkers van het Tilburgs en bouwt dus voort op Sterenborgs werk. Hij was aanwezig bij de promotie en stuurde me na afloop een vriendelijk briefje dat bestond uit een lange opsomming van allerlei fouten die hij in mijn transcripties ontdekt meende te hebben.
Een paar jaar later ging ik bij Onze Taal werken. Een van mijn eerste taken was een kadertekst te schrijven over de harde en de zachte g. Nu zijn die termen dubbelzinnig. Ze kunnen verwijzen naar de plaats in de mond waar je die klanken maakt (voorin: zacht, achterin: hard) en in dat geval hebben zuiderlingen een zachte g en mensen uit noordelijker streken een harde. Of ze kunnen ook verwijzen naar het verschil tussen stemloze ch en stemloze g. In dat geval hebben zuiderlingen allebei de klanken, en noorderlingen meestal alleen de harde.
Ik ging in mijn tekst uit van de eerste definitie – ik denk nog steeds dat dit de meest gangbare is – en daarop schoof de redactie me een lange brief van Sterenborg voor die de kopij had gelezen en zich beklaagde dat de zuiderlingen weer eens ‘door het slijk werden gehaald’.

Ik denk dat Sterenborg ook heel veel van wat ik in de decennia erna heb geschreven met hoofdschudden moet hebben bezien, zoals hij het met veel schrijvers niet eens zal zijn geweest. Omgekeerd heb ik hem altijd bewonderd: iemand die zoveel overhad voor de taal.
Een iets andere versie van het verhaal van Sterenborgs carrière staat op de website van het Tilburgs Woordenboek.


2004


Op 29 april 2004 kreeg Wil Sterenborg (rechts op de foto) een koninklijke onderscheiding voor zijn bijdragen aan de Nederlandse taal. Achter hem staat Piet Smits, de drukker van het Tilburgs dialect boekje. In zijn rechterhand toont Sterenborg het Liber Amicorum dat hij ontving vlak voor de foto werd gemaakt. Op de foto op voorkant van dat vriendenboek staat hij zelf met dat Tilburgs dialectboekje in dezelfde rechterhand. 

donderdag 10 januari 2019

DEDOOIEKUNSTENAAR


Dedooiekunstenaar

Onsterfelijkheid is een gekoesterd begrip in de letterkundige geschiedenis; het hoort bij de theologie van het Woord. Wat gewone stervelingen rustig in hun begraafgrond moeten afwachten tot het aanbreken van de jongste dag, hebben schrijvers blijkbaar al bereikt: onsterfelijkheid dankzij papier en bibliotheken. Wie schrijft die blijft. Na vijf eeuwen drukpers weten we echter zo langzamerhand wel dat die onsterflijkheid vaak niets méér is dan een zielig hoopje verzurend papier dat in een stoffig magazijn op die ene lezer ligt te wachten die eens in de honderd jaar bereid is zijn leengeld te offeren op het bibliotheekgraf van de schrijver. Een muntje in de mond van de overledene, geld voor een overtocht naar een volgende eeuw.
[Vrij geciteerd naar: Waar ligt Poot? Over de dood en de laatste rustplaats van Nederlandse en Vlaamse schrijvers.]

Om de onsterfelijkheid een beetje te helpen, geven we straten en pleinen namen van schrijvers en schilders en we benoemen evengoed uitvinders, ontdekkers en voetballers. Ze staan op postzegels, gedenkplaten en soms versteend op een sokkel. Er worden biografieën geschreven, catalogi uitgegeven, beelden onthuld. Maar de praktijk wordt gedomineerd door de vergetelheid.
De vergetelheid.
In Amsterdam zijn er drie straten genoemd naar Jan Fredrik [met één e]  Helmers. Als Willem Frederik [met twee e’s] Hermans niet in de eerste van die straten was geboren en die straten, vaak met minachting noemt in zijn werk, zouden we niet weten dat hij met die ene e ook ooit schrijver was. Soms leeft je onsterflijkheid voort in het nageslacht. Wel eens gehoord van de toneelschrijver Johan Broedelet? Niet? Hij is geëcht als de vader van Wilhelmina van den Heuvel. Ook nooit van gehoord natuurlijk. Toch kennen de wat oudere tv-kijkers haar. Ze was het ‘mevrôhtje’ dat bezoek kreeg van twee oplichters, genaamd Jacobse en Van Es, die haar tuin winterklaar kwamen maken. Wilhelmina of Joekie Broedelet, was de moeder van Remco Campert. Ja, die Kampurt bestaat nog.
Maar de meesten onder de beroemdheden van weleer rest de vergetelheid. Al hun werken rusten in het graf van museumdepots of bibliotheken, soms verstoord door een overstroming, een brand of de verzuring. Van boeken kunnen we de teksten digitaal opslaan, mocht het boek vergaan dan blijven de teksten bestaan; ze gebruiken nauwelijks ruimte. Dat ligt met schilderijen anders. Een digitale foto is niet het verfwerk. Wat eenmaal verbrand of vergaan is, kan niet ongedaan gemaakt. Maar waar blijven al die overgebleven kunstwerken van minder bekende en vergeten kunstenaars? Wat doen we met hun erfenis?
Het bewaren van m.n. beeldende kunstwerken is een onmogelijke opgave, schrijft Caro Sicking in een toelichting bij haar uitnodiging voor een finissage van de tentoonstelling van ‘Dedooiekunstenaar’.

Inderdaad finissage is het tegenovergestelde van een vernissage. Het wordt een klein ludiek dingetje om de tentoonstelling ten grave te dragen, vanwege de thematiek ‘Dilemma der Erfgenamen’. Wat doen we met het oeuvre van de overleden kunstenaar? Dit issue speelt bij veel kinderen van beeldend kunstenaars. Daar komt bij dat musea, overheden en bedrijfsleven ontzamelen, kunst afstoten, om financiële redenen. 
Ik weet dat er letterlijk schilderijen staan weg te rotten in vochtige containers, omdat de nazaten niet weten wat ze ermee aan moeten.

Finissage, een ludiek en uniek saluut aan de vergetelheid, want meestal gaat het laatste restje onsterfelijkheid langs een ironische weg. Een straatnaam in een lelijke buurt, een oude spoorbrug bij Bommel, een eenvoudige doch voedzame maaltijd, een postzegel in een vergeten verzameling of een nikkelen muntje. Het kan met nog minder. De boerendichter Poot is onsterfelijk geworden met een verzonnen grafschrift van slechts zes woorden: Hier ligt Poot, Hij is dood. Het graf van deze ‘Gerusten Landman’ is nog te Delft beloopbaar en zijn gedichten digitaal beschikbaar, maar wie leest ze nog?
En waar is de sneeuw van vorig jaar?

[Tekst geschreven naar aanleiding van de finissage van het werk van Joost Sicking in De Speeldoos te Vught op 12 januari 2019]