Posts tonen met het label Ludwig Wiittgenstein. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ludwig Wiittgenstein. Alle posts tonen

woensdag 7 januari 2026

LEIJSTEEN 14

 LEIJSTEEN 14

In 1951 verscheen Ik heb altijd gelijk van Willem Frederik Hermans.

Dit ‘ik’ slaat op de hoofpersoon, ene Lodewijk Stegman, maar indirect op Hermans zelf, want die spreekt met de mond van Stegman.

Op bladzijde 26 (van de herziene druk) wordt het katholieke volksdeel beledigd.

“Die katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar díe naaien er op los. Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen.[…] Over twintig jaar hebben de katholieken in Nederland de meerderheid.”

In 1952 stond Hermans voor de rechter omdat hij wegens belediging was aangeklaagd.

Er ontstond veel ophef, inbeslagnames en volgeschreven kranten.

Hermans werd vrijgesproken, omdat  “de gebezigde woorden in de mond worden gelegd aan en worden weergegeven als gedachten van een in de roman voorkomende persoon, die in de loop van het verhaal wordt voorgesteld als een verlopen, drankzuchtige, wegens corruptie in het leger gedegradeerde psychopaath, die zijn afkeer tegen het leven en tegen de Nederlandse zeden, gebruiken en opvattingen in ruwe taal uit, daarbij de gevoelens zijner medemensen - onverschillig of deze tot de katholieke of tot een andere bevolkingsgroep behoren - niet sparende. “

Dat zei het hof.

Ruwe taal.

Ludwig Wittgenstein, Hermans’ lievelingsfilosoof, was zich ervan bewust dat hij filosofie bedreef in een gecorrumpeerde, ongezuiverde taal.

Beledigen is in Nederland toegestaan als dat gebeurt met de taal van een verhaalpersoon.

Je kunt dat beter niet doen in het huidige Rusland.

Sinds dit proces werd beledigen een nieuw fenomeen in de romankunst.

Of beter gezegd het zich beledigd voelen.

Na Hermans kwam Gerard Kornelis van ‘’t Reve met een passage waarin hij copuleerde met God in de gedaante van een ezel om wiens hoeven hij – Reve- zwachtels had gedaan om geen schade toe te brengen als God spartelend klaarkwam.

Hermans vond later dat zijn voormalige vriend zich verloor in de ambitie een verdachte geur van heiligheid te verspreiden ‘met de ezelspoep nog aan zijn piemeltje’.

Reve nam niet eens de moeite om dit te laten vertellen door een verhaalfiguur of anders gezegd de verhaalfiguur was Reve zelf.

Het proces wegens belediging werd bekend onder de naam ‘ezelsproces’.

Ook Reve werd vrijgesproken.

Mensen voelden zich niettemin beledigd door de vrijmoedigheid van Reve en ook van Jan Wolkers.

Niettemin werden  Kort Amerikaans en Turks fruit in massa-oplagen verkocht en ook de verfilming van Turks Fruit kon op massaal bezoek rekenen.

Jan Wolkers was een sympathieke man, wat niet gezegd kan worden van de misantrope Willem Frederik Hermans en de niettemin begaafde maar arrogante Harry Mulisch.

Hermans noemde Mulisch een kale opschepper.

Met Mulisch was Hermans ook gebrouilleerd.

In Liesje in Luiletterland komt Mulisch voor als de best gekapte schrijver van Nederland.

Hij ontvangt dagelijks vrouwelijke fans, die in een wachtkamer wachten op een beurt.

In zo’n beurt heft hij het niet-zijn bij hen op door het te vullen met zijn Zijn waardoor er een gloedvol wel-zijn ontstaat.

In 1967 gaf Hermans een lezing voor de faculteitsvereniging Helios in hotel Krasnapolsky.

Helios is een acroniem voor Historie En Letteren Is Onze Studie.

De lezing heette: Kan de Tijd tekens geven.

Dat kan de tijd niet.

Volgens professor G.J.P.J. Bolland wel.

Bolland constateerde tijdens een academische les anno 1921 het verval der zeden.

Dat kwam omdat er vrouwen waren die op een fiets gingen rijden.

“Het schokken en schudden van de fiets waren zeer verderfelijk voor den vrouwelijke onderbuik, om niet te spreken van de fiets als middel tot heimelijk verkeer.”

Iets verderop krijgt het Internationale Jodendom met citaten uit de Bijbel ook nog de schuld van de verkankerdheid der wereld.  

Hier is een regelrechte antisemiet aan het woord.

Maar hij was wel populair destijds.

Toen de Duitsers Nederland hadden bezet werd de les van Bolland prompt herdrukt en in grote aantallen verspreid.

Ziedaar de Teekenen des Tijds

Het gezever over het verval der zeden is van alle tijden.

Ongehuwde moeders werden gestraft door hun baby af te pakken.

Van masturberen werd je niet alleen bleek maar je vermagerde sterk door ruggenmergtering.

Dat stond in het boekje Stomme Zonden  dat Jan Wolkers aantrof in de gereformeerde boekenkast.

Het gezin – een elftal bij elkaar – gaan een dagje naar het strand.

Dwalend door de duinen ziet de verteller een jongen die hem voorstelt om te geilpompen.

“Ik (…) keek zijn naar zijn rug, die nu hij zat nog krommer en breekbaarder leek.”

Dat komt ervan.

Het stond al in Stomme zonden.

Verderop in de duinen lag de dominee naast zijn fiets met een strooien hoed op zijn hoofd.

Dat paste helemaal niet bij een dominee, vond de jonge Jan en slaat op de vlucht.

Te frivool, of was het een luchtspiegeling?

Soms zien we iets dat er niet is omdat we bang zijn dat er iets is.

Ee zwart gat is wel iets, maar dat er tegeljikertijd niet is.

Het grote raadsel is niet dat er iets is, maar waarom er niet niets is.

 

zaterdag 16 juni 2018

A.H.J. DAUTZENBERG bestaat uit twee letters

DAUTZENBERG SCHRIJFT ZICH AF

Anton Dautzenberg is toegelaten tot het Privé-domein van de Arbeiderspers met zijn 'dagboek' onder de titel: Ik bestaat uit twee letters.
Geen woord van gelogen.En het kost nog geen vier cent per bladzijde.
Kopen dus bij Livius. Bij Gia-Muts mag ook.


In de recensie in het NRCH van 15 juni 2018 wordt nog eens gerefereerd aan de vorm en vent discussie uit de jaren dertig in het tijdschrift Forum. Volgens de krant (i.c. Thomas de Veen) is die wedstrijd gewonnen door de ventisten, wier voornamen dus worden gespeld met twee letters. Dat betekent wel dat al het werk van AHJD (hij publiceert niet met zijn voornaam, maar met zijn voorletters, dat zijn er drie) langs een lijstje wordt gelegd met zijn publieke optredens, waarin hij aandacht trekt voor zijn autobionische ik, zoals zijn nierdonatie, de verdediging van pedoclubrechten en nog meer gestapel. Waardoor alles wat hij schrijft, weer door de kritiek wordt vervormd. Want het mag dan wel wel fictie wezen, maar die moet wel echt gebeurd zijn. Om vorm zonder vent geven we tegenwoordig nog geen vier cent. We willen echter dan echt, de gevormde vent. De nieuwe fictie dus. Probeer daar maar eens uit te breken.
Een interessant stuk in het boek van AHJD gaat over Wittgenstein. Uit een biografie over Wittgenstein leerde AHJD dat je de mensen niet moet irriteren met je idealisme, maar dat je een goed mens moet proberen te zijn. Daarom of daarvoor ging Wittgenstein les geven op een lagere school in een boerengat in Oostenrijk in plaats van de geleerde fellow uit te hangen in Cambridge. Of die kinderen in Puchberg zo blij waren met de tractaten van die gekwelde mens? We weten het niet. Er stond in elk geval een vent voor de klas die vorm probeerde te geven aan de goedheid.
Op de voorpagina van de boekenbijlage van NRCH staat een karakteristiek vormgegeven tekening van Gijs Kast. AHJD  ten voeten uit.. Zijn schaduw valt over een stapel boeken. Zijn rechterwijsvinger wijst ernaar. Lees dit, zegt de wijsvinger. Dit heb ik geschapen. Ik heb mij vorm gegeven.

woensdag 18 april 2018

WAAROM ZIJN WIJ MENSEN ZO DOM

Waarom zijn wij mensen zo dom?

JJules de Corte, de blinde zanger, had in 1963 een megakraker met zijn lied: Ik zou wel eens willen weten.

Zijn wens is een prima uitgangspunt voor het bestrijden van de domheid. Immers alle kennis ligt in de verwondering (Aristoteles).

Vervolgens begint Jules de Corte een stel kindervragen te stellen en nog stommere antwoorden te geven, zoals waarom zijn de bergen zo hoog? Die zijn een stut voor de hemelboog en waarom zijn de zeeën zo diep, dat is omdat ze dienen tot meerdere glorie van God die de wereld schiep.

Geen natuurkundeles gehad.

Er staat ook veel misschien in de tekst.

Maar goed.

De laatste strofe van het lied vraagt ons: waarom zijn de mensen zo moe? Dat komt door het jachten en jagen en door al die tienduizend vragen en altijd onderweg naar de vrede toe. In 1963 was dat. Inmiddels is het onderweg nog veel erger geworden. Vooral met de vrede en dat gejakker en daarbij voortdurend de blik op dat scherm van het alom aanwezige anti-communicatievehikel: de smartphone! De domme blik op dat slimme ding.

Waarom de mensen zo dom zijn? Dat vroeg hij niet. We zijn niet dom, maar moe.

Jules had een goed hart en een kritische blik. En zes kinderen. Ik zag hem vaak in de trein onderweg naar de vrede toe. Reizigers zaten toen te suffen, te lezen, te loeren of te luisteren.

Dag meneer De Corte.

Dag meneer Onderweg.

In Vietnam kregen de boeren toen gratis oranje onkruidbestrijdingsmiddel uit Amerikaanse sproeivliegtuigen. Dat was voor de wereldvrede.

Jules de Corte was een goed mens en gelovig.

Misschien.

Het is gek, maar als ik dit liedje hoor dan ontroert me dat nog altijd. En je kunt het zelf ook beleven, op you tube. Op internet staat bijna alles. Heel slim. Nu wij zelf ook nog.

Waarom zijn de mensen dan dom? Ja, u en ik niet natuurlijk, maar al die anderen wel.

We weten het waarom van die hoge bergen en de diepe zeeën. Ze zijn van eenzelfde oorsprong: de tektoniek van de aardschollen. Maar sta je op een hoge bergrichel en kijk je in de diepte, dan ervaar je iets dat je weten ontstijgt of onderuithaalt. Vertigo.

Ik weet bijna zeker (haha) dat De Corte nooit iets gelezen heeft van Ludwig Wittgenstein. Maar de kern van het lied is uiteraard dat we veel vragen hebben, maar geen antwoorden. Wittgenstein schreef een boek vol stellingen om te tonen wat de wereld is. En als we weten wat de wereld is en al haar feiten, dan blijft er nog één vraag over.

Waarom de wereld is. En wij en waarom wij leven.

Op die vraag heeft hij geen antwoord. Waarover je niet kunt spreken, kun je maar beter zwijgen, zegt Wittgenstein. Maar dat doen we niet, want we kunnen het niet, zegt De Corte.

Daarom zijn wij mensen zo dom.


P.S. Dinsdag 12 juni 2018 stond ik bij de stationstoren van Tilburg CS. Sinds kort klinkt het carillon weer. En wat speelde het? Ik zou wel eens willen weten! Pling Plong.





woensdag 23 september 2015

Het wereldbeeld van Wittgenstein




Het mechanische wereldbeeld van Wittgenstein
[Leyeloren 50]


Wittgenstein wist niets van Einstein en dat is jammer, want Wittgensteins natuurwetenschappelijke beschouwingen zijn nog ontleend aan Newton.
Wittgenstein had daarom nog een mechanisch beeld van de natuur.

Dat blijkt uit volgende stukken uit de Tractatus.

Neem stelling 6.3: Het onderzoek van de logica betekent het onderzoek van alle wetmatigheid. Daarbuiten is alles toeval.

Stelling 6.341: De mechanica van Newton verschaft uniformiteit aan de vorm waarin de wereld beschreven wordt.

Bij deze stelling komt Wittgenstein met een moeilijk uitleg over de beschrijving van de elementen in de vorm die we herkennen als pixels. Je hebt - even voor het gemak - een zwart-wit foto die je reduceert tot een patroon van alleen zwarte of witte pixels, zoals vroeger een cliché, een stempel met puntjes. Noem zwart (puntje =) 1 en wit (geen puntje =) 0; dan heb je een binair stelsel, de huidige standaardvorm om tekst, geluid en beeld te digitaliseren. Elk complex beeld is opgebouwd uit talloze enen en nullen, maar het systeem werkt binair met maar twee elementen, 0 en 1. Zo denkt Wittgenstein dat je met deze matrix de wereld beschrijft. Deze matrix is twee dimensionaal en dus de beschrijving ervan ook.
Een driedimensionaal matrix was technisch nog niet mogelijk.

Het volgende aspect is de tijd. Tijd is de vierde dimensie.
Volgens Wittgenstein spreekt men niet van het verstrijken van de tijd, maar dat dit proces een analoog gegeven is; gekoppeld aan het verloop van iets anders, bijv. de draaiende aardbol (alledag dag en nacht).
Causaliteit is wat zich voordoet in de loop van de tijd; niet tegelijkertijd, maar ervoor en erna. We leggen verband tussen op elkaar volgende gebeurtenissen, het verband tussen oorzaak en gevolg, al weten we vaak niet of dat verband klopt. Neem de geconditioneerde reflex als in de wet van Pavlov. De hond legt na een aantal keren verband tussen het luiden van een bel en het vallen van een pond vlees voor zijn neus. Zijn maagsappen beginnen te werken, ook als hij later alleen een bel hoort luiden. De hond denkt dat de bel de oorzaak is van het krijgen van vlees. Het vlees (en het verteringssap) is het gevolg van het luiden van een bel. Zo ongeveer werkt een natuurwet.

Of, zegt Wittgenstein: we geloven dat de zon morgen opgaat, maar weten doen we het niet.
Wat bedoelt Wiitgenstein met ‘weten’? We vertrouwen op de natuurwet. Als we er niet meer op kunnen vertrouwen dat morgen de zon weer opgaat, dan kunnen we van niets meer op aan. Al gaat niet de zon op, maar het is de aarde die draait, maar dit terzijde.
Nee, zegt Wittgenstein: De hele moderne wereldbeschouwing berust op de dwaling dat de zogenaamde natuurwetten de verklaringen zijn van de natuurlijke verschijnselen. [St. 6.371]
Wittgenstein bedoelt hiermee dat die wetten wel verklaren wat de verschijnselen doen, maar we weten nog niet waarom die verschijnselen er zijn.
Zogenaamde natuurwetten? Ja, een keer stort het zonnestelsel in en wellicht later het hele heelal, waarmee inderdaad een einde komt aan alle natuurwetten, maar tot zolang komt de zon morgen toch echt op. Wet of geen wet.
Geen God, geen Noodlot, geen natuurwet.
Er bestaat alleen een logische noodzakelijkheid.
Wat is dat dan?
Taalspel?

Stelling 6.373: De wereld is onafhankelijk van mijn wil.
Oké.
Een deeltje kan niet tegelijkertijd twee snelheden hebben. Of een punt in het gezichtsveld heeft niet tegelijkertijd twee verschillende kleuren. Zegt Wittgenstein.
Een ongelukkig voorbeeld, want kleur is geen vast object, maar een golflengte waaruit je niet een los deeltje kunt halen. Dus wat neem je eigenlijk waar? Het licht verandert steeds; de kleur hangt van de frequentie van de golf af; een groot deel is onzichtbaar [voor mensenogen]. Wist Wittgenstein niet.
Er zijn wel natuurwetten, in die zin dat bijv. lichtsnelheid een constante is. Wittgenstein vat het begrip wet semantisch op; hij ziet wet, dus iemand schrijft het voor. Het moet van iemand. Hij kan niet formuleren wat een natuurwet wel is. Een proces dat voortkomt uit de formule van Einstein e=mc2; is heel wat anders dan de evolutieleer, die stelt dat de ene soort uit de andere voortkomt, maar dit zijn geen vastgelegde wetten; maar voor een deel toevalligheden bepaald door geologische, biologische processen en ecologische omstandigheden, die steeds weer anders verlopen; wel herleidbaar tot mutaties in het DNA; pas acheraf (en niet altijd) verklaarbaar, terwijl de e=mc2 kwestie wel voor dit helaal een onontkoombaar natuurwet is, waarvan de gevolgen voorspelbaar zijn. De natuur kan de lichtsnelheid niet veranderen; wel kan het licht krommen als het beïnvloed wordt door elektromagnetische velden.


Stelling 6.41: De zin van de wereld moet buiten haar liggen.
Stelling: 6.4312 De oplossing van het raadsel in ruimte en tijd te leven, ligt buiten ruimte en tijd.
Hier weer ruimte en tijd. Had hij Einstein gekend dan heette het ruimtetijd continuüm; iets wat direct met elkaar verbonden is. [niet tegelijkertijd, niet parallel, er is immers geen aparte tijd dimensie maar een ruimtetijd verbinding; ruimte is tijd.] Daarbuiten is niets. Dus ook de oplossing van het raadsel!

Wittgenstein moest natuurlijk ook met God afrekenen die zich immers niet in de wereld manifesteert; het probleem is niet waarom er, of beter, hoe de wereld is, maar dat zij is. Er is geen raadsel, want dat zou je kunnen oplossen. De wereld is er, ze is een daadzaak, een feit.
We zien en ervaren haar, maar het waarom en de causaliteit, daar weten we niets van. Je kunt er niets van zeggen. Zegt Wittgenstein.

Terug naar de natuurwetten. Bij Newton heb je het idee van de klokkenmaker. De wereld is a.h.w. in elkaar gezet als een klok en die draait dan verder uit zichzelf door. Newton leert waarom de antipode niet van de wereld valt. De antipode valt in de antieke wereld van de aarde, omdat hij er niet op staat. Door zijn gewicht valt hij naar beneden en verdwijnt. Maar er zijn geen antipoden, nooit geweest. Dat komt zegt Newton, omdat een ding dat zich op aarde bevindt, graag de afstand tussen hetzelf en het middelpunt van de aarde wil verkorten. Het verlangt naar binnen. [Dingen met een wil?] Dat gebeurt met elk ding op elke bol. Maar bij Newton is de schepping een mechanisme als een klok. Iemand heeft het ding ooit aangezet en kan daarna niets meer veranderen, ook God niet. Dat de oude God dat wel deed door een zondvloed te sturen, moeten we zien als fictie, een metafoor, een verhaal van de ark voor de brave Noah en straf voor de zondaars.
Maar hoe komt Newton dan verder met de schepping? Dat het eeuwig zo onveranderd voortgaat? Hij wist niet dat de zon een soort kerncentrale is die op een dag zonder brandstof zit. Of dat een supergroot zwart gat zo dicht bij de zon kan komen, dat we in een fractie van een seconde met Titan en zon en al opgeslurpt worden in het eeuwige niets. Wittgenstein en Newton wisten niets van dit Einsteiniaans geweld. De Tractatus had nog veel korter gekund. Eigenlijk is de laatste zin voldoende. Er is geen filosofisch antwoord op de zinvraag.
Toch wordt er heel wat over gefilosofeerd.
Filosofie is Taalspel. Helpt niet. Wat helpt is een goeie dokter, goed voedsel en drank  – niks voor de sobere Wittgenstein. Wat ook helpt elementaire ethica en wat esthetica [zijn hetzelfde zegt Wittgenstein] want over deugd en smaak valt veel te twisten. En een zengevoel: de wereld is er zoals ze is en je komt op die wereld en je kunt er niet veel aan doen.

Wat ik zo vreemd vind aan de Tractatus en de neopositivisten (of logisch empiristen) is die moeite die wordt gedaan om deze filosofische kwesties naar een soort wiskundig model te herleiden; de symbolische logica. Wittgenstein vond dat eigenlijk zelf ook, gaf hij toe. Het zijn allemaal tautologieën, in de zin van als a = x en b =  x dan is a gelijk aan b; of als a een deel is van verzameling x en b is een deel van verzameling y en c is zowel een deel van verzameling x en y en z dan is, als a gelijk is aan c, a ook een deel van , etc. etc. Maar wat druk je ermee uit? Wittgenstein wil beweren, denk ik, dat je met allerlei stellingen alleen iets kunt zeggen wat logisch noodzakelijk voortvloeit uit de volzinnen zelf.
Hij zegt bijvoorbeeld: de dood beleef je niet. Een heel banale gedachte. Als je dood bent, weet je dat niet. Maar weten dat je doodgaat, besef je dat niet? Vraag het de terminale kankerlijder.Waarom spreekt hij zo over de dood, door eigenlijk te zeggen dat die niet bestaat? Als je in het nu leeft, in de ontijdelijkheid, leef je eeuwig en als je dood bent, heb je geen last van de gedachte dat je dood bent, dan ben je in de ontijd. Zegt de zoon uit een zelfmoordfamilie.

Wat is waar?
Als iets waar is, staat dat niet op zichzelf, maar is dat altijd met iets anders verbonden, de zgn. connectiviteit. Zonder connectiviteit geen samenhang. Als iets waar is en iets wat ermee te maken heeft ook, dan zijn ze samen ook waar. Als maar een van de twee niet waar is, of als ze allebei niet waar zijn,, dan zijn ze samen nooit waar; dus van twee proposities kan er maar een kwart samen waar zijn. Dat legde professor Stuiveling anno 1965 al uit in zijn eerste college aan de eerstejaars studenten letterkunde. [Stuiveling was taalgeleerde, maar hij had bij het CBS - het statistiekbureau - vervangende dienstplicht vervuld].
Het gaat in dit W[aar] en O[nwaar] schema niet om syllogismen, maar om binaire kwesties. Als p waar is en q waar is, dan, ...enz.

 p         q         dan p.q
W        W        W
W        O         O
O         W        O
O         O         O

Dan kan een uitspraak ook nog zinledig zijn.
Er is dus maar weinig waar.

Terug naar Einstein. Tijd en ruimte zijn niet andere dimensies. Het pixelraster is leuk om een soort matrix van de waarneming te maken, maar zegt niets over de elementaire bouwstenen van de wereld: de atomen, die zelf weer bestaan uit deeltjes, quarks, die uit kwaliteiten bestaan, zoals charm en love. Zijn het snaren of golven? De tijd is een exponent van de uitdijende wereld ontstaan uit de oerknal waarvan we niet weten wat de oorzaak is. In de causaliteit van ons bestaan, van alle materie, ontbreekt het begin. Waar is die logische noodzakelijkheid zonder aanvang? De anti-materie? De omgekeerde tijd? Zonder materie is er geen tijd, geen energie, geen heelal. Van Schrödingers kat, die tegelijkertijd dood en levend is, wat strijdt met de logische noodzakelijkheid, had Wittgenstein nog geen weet. Van Darwin had Wittgenstein evenmin kaas gegeten, met zijn star mechanisch en wiskundig beeld van de wereld. Omdat je in zijn tijd die loden erfenis had van Plato - die de zichtbare dingen ziet als afspiegeling van de idee - van het ding an sich, die verschrikkelijke klets van filosofen als Kierkegaard, altijd bezig de filosofie te verzoenen met de schepper, bang voor de wrakende God.
Ook Wittgenstein heeft dat; de wereld is een voorstelling van de dingen, of liever van de feiten, de daadzaken, maar wat zijn die? Ja, de wereld is een verzameling gebeurtenissen, van daadzaken. Maar dat een daadzaak een voorstelling is van een daarachter liggend beeld? Welk beeld moet dat dan zijn? Dat Ding an sich? Dat geen ding is. Er bestaan geen waarheden a priori.

We leven in het licht van de zon, die een ster is in een gigantische spiraalnevel die we Melkweg noemen, die op zijn beurt een piepklein stukje materie vormt in een heelal van miljarden van zulke stelsels, waarin we nooit en zeker fysiek, nooit zullen doordringen.
Wittgenstein wist hier niks van. Merkwaardig omdat hij van dezelfde generatie is als Einstein. Zijn wereldbeeld is daardoor beperkt. Van de consequenties van de bijna honderd jaar geleden geformuleerde Algemene Relativiteitstheorie had hij geen weet. Als tijd en ruimte niet meer absoluut zijn, wat dan nog wel? Dan zijn ook de waarheid en de feiten schijn.
Buiten schijnt de zon.
Lang genoeg gefilosofeerd.
Waar is mijn cultiveerhark?

maandag 17 augustus 2015

WILLEM FREDERIK HERMANS EN HET NIHILISME



WILLEM FREDERIK HERMANS EN HET NIHILISME
 [Leyeloren 47

Onder Nihilisme verstaat Nietzsche: de radicale afwijzing van waarde, zin en wensbaarheid.

In de ontwikkeling van het Nihilisme onderscheiden we drie fasen.

1. Het optimistisch nihilisme van de Verlichting. In de Verlichting ging het om de
vrijmaking van de mensheid van (bij)geloof, middeleeuwse opvattingen, onderdrukking en
achterlijkheid. Men dacht door alles kritisch te onderzoeken en niets op voorhand voor waar te
houden; door gebruik van het gezond verstand een betere samenleving te maken.
Men dacht dat. Lees Candide en ga je tuintje wieden.

2. Het tragisch Nihilisme van de filosoof Nietzsche. Nietzsche ontkent elke zin of doel van het bestaan, want God is dood. Er is niks dan de dood. Daardoor is er ook vrijheid; alles is toegestaan. Nietzsche ontwikkelde de Uebermensch‑ theorie. De Uebermensch staat tegenover de kuddemens. macht is zijn enige lust. Goed is wat macht geeft; slecht is het zwakke; geluk is wat nog meer macht geeft.(Willem Frederik Hermans vond deze theorie ook een hersenschim; wij weten nu immers hoe de NAZI's deze theorie misbruikt hebben.)

Eenzelfde soort denkwijze werd ontwikkeld in het Existentialisme. Dit leert ons dat de mens fundamenteel eenzaam is, omdat er geen verlossing is (na de dood); tegelijkertijd is de mens ook vrij, omdat er niets boven hem staat. Dat stelt de mens echter wel voor vragen die hem vooral overvallen in zgn. grenssituaties: ziekte, dood en bij belangrijke keuze­momenten in het leven. Zo kom je terug bij de levensvragen van Kant: Wie ben ik, wie kan ik worden, wat mag ik hopen? Dat is het tragische in het bestaan, omdat we onvermijdelijk foute beslissingen nemen of niet weten wat we moeten doen. [Je maakt je dan van Kant, of je gaat kantklossen.]
Vooral de schijver Jean‑Paul Sartre heeft hier in essays, romans en toneelstukken over geschreven.

3. Het postmodern Nihilisme. Een banale vorm van nihilisme. Er is geen waarheid; alles is al gedacht en gedaan. Het heeft ook geen zin om naar zin te zoeken. De wereld is toevallig. Het gaat alleen nog maar om de ervaring van het sublieme. Tenminste bij kunstenaars; voor de 'kudde, is er het consumentisme, d.w.z. leven om te consumeren; de hamburger‑ en coca-colamaatschappij; die is van fijn jezelf zijn. De valse wereld van de reclamespots die vooral leuk, jong en modern moet zijn. Ik besta; dus ik ben, denk ik.

Volgens W.F. Hermans is de meeste filosofie praatjesmakerij. Filosofie is vnl. tautologie (hetzelfde zeggen met andere woorden); ze is een taalspel; maar ze zegt niets over de werkelijkheid. Alleen de exacte wetenschap kan dat. Dit heeft hij van Ludwig Wittgenstein. Deze schrijft aan het eind van zijn studie (de Tractatus Logico Philosophicus) dat wanneer de wetenschap alle vragen zou hebben beantwoord; we over onze levensproblemen nog niets weten. En hij sluit af met de
beroemde zin: Waarover men niet spreken kan, daarvan moet men zwijgen.

Toch zijn Multatuli, noch Ter Braak, noch Hermans echte nihilisten, want zij zoeken naar waarheid in de literatuur of liever zoeken zij naar authenticiteit en waarheid, tegenover onwaarheid en onwaarachtigheid. Daarom schrijven zij ook steeds en onderzoeken zij wat schrijvers schrijven. Men noemt Hermans daarom wel een scheppend nihilist.

WITTGENSTEIN EN WILLEM FREDERIK HERMANS



Wittgenstein en W. F. Hermans’ Lotti Fuehrscheim
[Leyeloren 46]
Willem Frederik Hermans schreef Lotti Fuehrscheim in 1949. Op bladzijde 187-189 [van de bundel Paranoia, uitgegeven door Van Oorschot, 1966] treedt een professor op die de ideeën van Ludwig Wittgenstein representeert. De centrale vraag van het verhaal luidt: zegt een woord iets over het 'feit' daarachter? En vragen die daaruit volgen. Bestaat alles wat denkbaar is? Verbergt iemands naam een voorspelling en hoe vind je de sleutel die het slot van dit geheim opent?
Of is dit een schijnprobleem, een woordspel?

De filosofie van Wittgenstein was tot in de jaren vijftig buiten Cambridge vrijwel onbekend. Pas met de vertaling van de Tractatus door Willem Frederik Hermans kwam dit werk onder de aandacht van de Nederlandse lezer. De Tractatus bestaat uit genummerde stellingen, precies zoals de Ethica van Spinoza. Hieronder volgt een samenvatting van de ideeën van Wittgenstein. De vertaling van de stellingen is van W.F. Hermans.

Het eerste en belangrijkste werk van Wittgenstein [Wenen 1889 – Cambridge 1951] is Logisch-philosophische Abhandlung,1921; ofwel de Tractatus logico-philosophicus [Latijnse titel van de Engelse vertaling in 1922]; later: Philosophische Untersuchungen, 1928

De Tractatus bestaat uit stellingen.
Stellingen kunnen waar, onwaar of zinledig zijn.

Stellingen kun je verbinden tot een geheel dat het mogelijk maakt over de werkelijkheid te spreken. Net als in de wiskunde zijn stellingen eigenlijk axioma’s. Een logisch verbonden reeks axioma’s vormen een natuurwetenschappelijke werkelijkheidsbeschrijving. Dat is het systeem waarop de Tractatus berust.

Logisch verbonden! Dus niet een uitspraak als: ‘Wittgenstein is een priemgetal.’

De wereld bestaat uit een veelheid van objectieve onafhanke­lijke feiten. De mens moet deze feiten laten spreken, maar over de rest zwijgen. Filosofie is niet meer dan gegoochel met de taal, een taalspel. Zij is een reeks tautologiëen.

De zeven basisuitspraken zijn:
1.                 Die Welt is alles, was der Fall ist.
De wereld is alles wat het geval is.
2.                 Was der Fall ist, die Tatsache, ist das Bestehen von Sachverhalten.
Wat het geval is, het feit, is het bestaan van connecties.
3.                 Das logische Bild der Tatsachen ist der Gedanke.
Het logische beeld van de feiten is de gedachte.
4.                 Der Gedanke ist der sinnvolle Satz.
De gedachte is de zinvolle volzin.
5.                 Der Satz ist eine Wahrheitsfunktion der Elementarsätze. (Der Elementarsatz ist eine Wahrheitsfunktion seiner selbst.)
De volzin is een waarheidsfunctie van de elementaire volzinnen. (De elementaire volzin is een waarheidsfunctie van zichzelf.)
6.                 Die allgemeine Form der Wahrheitsfunktion ist: [formule]. Dies ist die allgemeine Form des Satzes.
De algemene vorm van een waarheidsfunctie is: [formule]. Dit is de algemene vorm van de volzin.

7.      Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schwei­gen.
Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen.

 (Vgl. Candide. Na eindeloos optimistisch geklets over de wrede schepping volgt de conclusie: Laten we onze tuin verzorgen)

Wittgensteins levensvorm is het ondenkbare denken; zgn. opgeloste problemen worden voortdurend vervangen door nieuwe onopgeloste problemen.

Volgens Rudy Kousbroek was Willem Frederik Hermans zelf verrast door de Tractatus. Tot eind jaren zestig was de filosofie gevangen in theologiserende metafysische kluisters; nog altijd gebaseerd op De Idee van Plato, Het Lost Paradise motief, Het Ding an sich.
Willem Frederik Hermans meent dat er geen wereldraadsel is. Toch zegt Wittgenstein in stelling 6.52 dat als we alle wetenschappelijke vragen beantwoord zouden hebben, we nog steeds helemaal niet weten waarom we leven. De zin van de wereld moet buiten haar zelf liggen. Maar als dat zo is, kunnen wij daar niets over zeggen. Het probleem is niet waarom/waartoe de wereld is, maar dat zij is.

Het leven is een raadsel, waarvan de oplossing buiten onszelf ligt. Dan is er buiten ons een onkenbare werkelijkheid, waarover je dus niets kunt zeggen. Wittgenstein was geen atheïst of anti-godsdienst. Hij zegt alleen dat we niets kunnen beweren of een wereld buiten de kenbare.