zaterdag 11 juni 2016

GERARD KORNELIS VAN HET REVE AAN DE AMSTEL

NADER TOT U AAN DE AMSTEL

In 1966 verscheen bij Van Oorschot: Nader tot U van de schrijver Gerard Kornelis van het Reve. Ik kocht dit boek, vrijwel meteen na verschijnen, in een AKO op het Damrak, op weg van het station naar het Instituut voor Neerlandistiek aan de Herengracht. Het kostte zes gulden vijftig. Ongeveer evenveel als acht glazen Amstel bier van 30 cl bij café De Zwart. Een glas bier van 30 cl kost nu al gauw twee euro tachtig en een boek als dat van Gerard Reve negentien euro vijfennegentig.
Anders gezegd, vijftig jaar geleden was een vaasje Amstelbier acht keer goedkoper dan nu en een standaard boek zeven keer. Ofwel de bierindex is sterker gegroeid dan de boekindex en nog sterker generaliserend: de horeca is in vijftig jaar tijd vijftien procent duurder geworden dan de boekwinkel.
Het verschil is weer dat je hetzelfde boek na vijftig jaar nog kunt consumeren.

In Nader tot U - mijn exemplaar is ernstig verkleurd door plakbandlijm (ik kaftte alles in plastic anno toen) - staat een gedicht, [nou ja, tekst met afgekapte regels en veel wit noemen we een gedicht] en dat gedicht heet Allerzielen. Dat gedicht dat staat er zo in:

       Nadat we bij die en die gezeten hadden,
          gingen we bij je weet wel nog wat drinken.
       over een naamloos Graf van eeuwigheid.
Dinges was er ook, en zong een lied

Geniaal toch? Na al dat gezuip vergeet je niet alleen met wie en wat en waar, maar ook de juiste volgorde van de regels. Gekende verschijnselen van dronkenschap of was het toch haastige slordigheid bij de drukker?
Een najaar later (ik weet de datum niet meer, hoe zou het komen?) gaf Gerard Reve een lezing over zijn werk aan de vereniging van studenten Neerlandistiek, genaamd HELIOS. Waar? Ik lieg het niet: in de kelder van de Amstelbrouwerij. Maar er mocht niet gedronken worden voordat de lezing van Reve was afgelopen.
En die lezing was serieus en lang. Na zowat drie kwartier ging ik naar de bar van dat keldertje en bestelde een glas bier. Dat werd geweigerd wegens voorgenoemde afspraak. Ik fluisterde: 'Het is voor meneer Reve!' De tap werd geopend en er vulde zich een prachtig glas Amstelbier (het bier zijn schuim, niet de smaak). Het publiek en Teigetje en je weet wel keken dorstig opzij, terwijl ik het glas bier naar de lessenaar droeg waar Reve stond. En hij nam de kelk en zei: ''Deze man weet wat ik nodig heb."
Later na de pauze en de vragenstelronde en dan bier voor die en die, kreeg ik van Reve (dringen geblazen) een vel papier beschreven met een kroontjespen met het begin van een brief gedateerd 'Greonterp,
27 October 1966'. Aan de andere kant staat een gedicht, waarvan hier een kopie van de originele versie.

Dit exemplaar moet na vijftig jaar toch minstens tachtig vaasjes Amstel opbrengen. Er is wel een disclaimer. Gerard Reve maakte deze originelen expres voor zijn hebberige publiek. Hij schreef de gedichten uit Nader tot U over op de achterkant van gebruikt papier. Net als Willem Frederik Hermans deed. En wat ik ook doe. Een vorm van schrijversbijgeloof. Maar hoe die twee verwisselde regels in de gedrukte versie zo terechtgekomen zijn, blijft een vreemde vergissing van de letterzetter. Niet omdat de drukker teveel Amstelbier op had (hoewel...) maar zeer waarschijnlijker uit haast, want Van Oorschot had de verschijningsdag van het boek aangekondigd. De enorme stapel bij de AKO was in een uur tijd uitverkocht. Dankzij die uitgevershebzucht verscheen er dus een mooie misdruk van het Herfstlied. Of misschien had die drukker het wel met opzet gedaan. Om de bibliofielen te bevredigen. Ook die waren toen evengoed een miskende hebzuchtige minderheid.
Och ja, wat schrijf ik nou, na vijftig jaar op weg naar het einde.  






dinsdag 26 april 2016

ASFOUR. Roman over de Jasmijn revolutie in Tunesië.

Op 28 februari 2016 presenteerde Caro Sicking bij boekhandel Gianotten-Mutsaers in Tilburg  haar derde roman: Asfour.

“Irene en Simone [dit is de hoofdpersoon van het boek] verhuisden naar het dorp - waar iedereen iedereen kent - toen ze tien jaar waren. Ze kwamen in de klas van meester Van der Tak, de eminence grise van de basisschool. Zelfs het hoofd van de school had nog les van hem gehad. Simone en Irene begonnen er vlak nadat de ‘jongensschool’ met de ‘meisjesschool’ gefuseerd was.[…] Voorafgaand aan de fusie waren er heftige bijeenkomsten geweest in het dorpshuis van de conservatieve, rustige gemeente van boeren en middenstanders die zich met elkaar en de grond verbonden voelden. De mensen woonden hier al generaties lang. Ze houden niet van verandering.”
Er komt een nieuwe school, zelfs al is meester van der Tak er tegen. Op de speelplaats en in de klaslokalen worden strepen getrokken om de jongens en de meisjes te scheiden.
“Natuurlijk zat het hele dorp de zondagsdienst bij, waarna de mannen zich verzamelden in café Kerkzicht aan de overkant.
‘Jullie zijn heel rijk, hè? Vroeg een klasgenootje de eerste schooldag aan Simone. ‘Waarom werkt je moeder dan?’”

Sommige lezers zullen de toponymie herkennen. We zijn in Riel, Brabant anno 1973. In het dorp komen nieuwbouwwijken en mensen uit de stad gaan daar wonen. Werkende moeders (kinderopvang was er nog niet en werd onnodig gevonden) met dochters die niet naar de huishoudschool, maar naar het gymnasium willen. ‘Meisjes hoeven niet te leren’, had de slager nog op de ouderavond geroepen. Het hielp niet meer. Het tij was gekeerd. Er voltrekt zich een kleine revolutie. De school, toen nog zo nieuw, is inmiddels al weer afgebroken.

Maar we blijven niet in Riel. Simone Onslagt inmiddels journalist, wordt door de krant naar Tunesië gestuurd om daar verslag te doen van de Jasmijnrevolutie, die was uitgebroken na de zelfverbranding van groenteverkoper Mohammed Bouazizi, in 2010. Hierna ontstaan er overal in Noord-Afrika en het Midden-Oosten opstanden, die (met uitzondering van Tunesië) in het minst slechte geval weer eindigen in nieuwe dictaturen (verraad is het leidmotief in de roman en in de echte wereld) of in volstrekte chaos zoals in Libië en Syrië.

Simone trekt met taxichauffeur Hichem, gids Marouan en Facebookactiviste Amal langs campagnevoerende politici. Haar begeleiders laten haar het echte Tunesië zien. Dat is de insteek van het boek. Hierdoor krijgt de lezer uitgebeid informatie over de geschiedenis van Tunesië en omringende landen, zoals Palestina en Libië en hun dictatoriale regimes, bestaande uit grote families van kleptocraten die in luxe leven, terwijl de bevolking wordt uitgebuit. De informatie in het boek komt niet alleen via de ‘vertelhoofdstukken’, maar ook geregeld via intermezzi onder de kop Tunileaks. Dit zijn berichten die geschreven zijn door de bode van de Amerikaanse ambassade in Tunis en bestemd voor de regering Obama. Deze uitgelekte berichten en de op internet geplaatste films van de zelfverbrandingen en het politiegeweld tegen demonstranten, zouden mede tot de val van president Ben Ali hebben geleid.

Het boek heeft hierdoor eigenschappen van de historische roman of zelfs van een politiek boek. Ik moest bij deze opzet denken aan boeken van Jef Geeraerts. Naast de politieke lijn is er het fictieve verhaal rond Simone en haar relaties, onder wie een ex-man, een zoon, een ex-minnaar, hele en halve criminelen voorkomen en waarin thema’s als drugshandel, vrouwensmokkel en politieke corruptie worden aangesneden. Een historische roman over verraad die zich ontrolt als thriller, zegt de achterkant. Er vallen doden; politieke moorden en liquidaties in het drugsmilieu. Het boek hopt vaak heen en weer van vroeger naar nu soms binnen één en hetzelfde hoofdstuk en betreedt een aantal zijpaden, zoals de vroege dood van haar tweelingzus, de liefdesperikelen van haar ex-minnaar en de couscousconnectie – een drugslijn via de broer van president Ben Ali. Mede door die Tunileakstukken is de hoofdlijn van de thriller soms wat lastig te volgen. Daar heeft de auteur iets aan gedaan door voor in het boek een overzicht te geven van de optredende karakters en organisaties. Het zijn er meer dan dertig. Het boek kent boeiende en goed ingeleefde passages die dan weer worden afgewisseld met historische uiteenzettingen. Die halen toch een beetje het ritme uit het verhaal.

Caro Sicking heeft met Asfour een indrukwekkend boek geschreven waarin ze diverse historische bronnen verbindt met een fictieve lijn die het de lezer mogelijk maakt zich in te leven in dagelijkse bestaan van de Tunesiërs: het landschap, de uitleg van de Koran, de omgang tussen mannen en vrouwen (ook met zo’n scheidingsstreep als hierboven) en die via de vrouwelijke invalshoek letterlijk een inkijk geeft in de Tunesische keuken en de mentale cultuur.

Terwijl ik dit schrijf, vinden er in Brussel aanslagen plaats, gepleegd door Noordafrikaanse terroristen. Deze jongemannen hebben vaak een crimineel verleden in het drugsmilieu. In Asfour beschrijft Caro Sicking hun afkomst, hun dromen (leven in Europa), het verraad, de mensensmokkel en de drugstrafiek. Krachten die het lot van individuen bepalen en die zich merendeels aan onze invloed onttrekken, tot ze uitbarsten in ongekend geweld. Een zeer actueel boek over een uiterst belangrijk politiek thema in tijden van radicalisering. En daarom ook een zeer moedig boek.

De roman Asfour - Tunesisch voor vogel en een vrijheidssymbool – is een intrigerend werk waarin de geschiedenis van Tunesië is verknoopt met de levensgeschiedenis van Simone. In haar jeugd opgegroeid in Riel en in 2011 gekidnapt in Tunesië. Een belangrijk en onbegrensd boek.

Caro Sicking, Asfour. Uitgave van Studio nonfiXe. Vught, 2015


woensdag 16 maart 2016

MORESNET

Moresnet
Neu Moresnet, Neutraal Moresnet en Kelmis of La Calamine

Ontwerp een spitse driehoek van tweeëneenhalf bij drie kilometer en een zinkmijn in het midden en ga in de scherpe punt staan. Dan ben je op het Vierlandenpunt bij Vaals. In die driehoek ligt het plaatsje Kelmis.

Kelmis: Gemeente in de provincie Luik. Duitstalig. Aan de Geul.
Opp. 344 hectare groot.
Deze gemeente vormt het voormalige onzijdige gebied van Moresnet dat van 1816 na het congres van Wenen, tot 1918 onder Belgisch – Duits bewind stond. Dit in verband met de zinkmijn van de Altenberg, die al tijdens de Romeinen werd geëxploiteerd maar in 1884 uitgeput was. 

Zo staat het fout in de Standaard encyclopedie. In 1816 was er geen Belgisch – Duits bewind, want in 1816 bestond België nog niet. En de gemeente is sinds 1977 veel groter en Kelmis was rond 1906 viertalig.

In 1815 was er tijdens het Congres van Wenen ruzie over de zinkmijnen in Kelmis, dat zijn naam dankt aan Galmei of Kalmyn, zinkoxyde-erts dat heel nuttig is voor dakbedekkingen. Alle daken van Parijs en de Brusselse Muntschouwburg liggen er vol mee. Bij het verdrag van Aken in 1816 werd het gebied geneutraliseerd en onder toezicht gebracht van Nederland en Pruisen. Dit stukje grond zat met het puntje op de berg ten zuiden van Vaals vast aan de plek, waar de Pruisisch/Nederlandse grens lag en waar na de Belgische opstand in 1830 een onduidelijke grenssituatie ontstond. Vaals werd pas in 1839 Nederlands, dus toen lag er ineens een vierlandenpunt. In 1914 werd het gebied Duits en bij het verdrag van Versailles in 1919 weer Belgisch en heette Kelmis ineens La Calamine. In 1940 werd het gebied ingelijfd door Duitsland. In 1945 werd geheel Moresnet en omgeving uiteindelijk weer Belgisch,. Onder de gemeentenaam Kelmis [Kelmis, Neu-Moresnet en Hergenrath] maakt het voormalige staatje sinds 1977 deel uit van de Duitstalige gemeenschap [met als hoofdstad Eupen]. Maar iedereen is er drietalig. Onder elkaar spreekt men een Nederfrankisch - aan het Oost-Limburgs verwant dialect [Kelmeser Platt] En zelfs enkele Moresnetters spreken soms Esperanto met elkaar. 
Er leefden bewoners die vijf keer van nationaliteit zijn veranderd, zonder te verhuizen. Nog krankzinniger is dat de grote voorvechter van het Esperanto, de bedrijfsarts van de zinkmijn, Dr. Wilhelm Molly, in Neutraal Moresnet zijn staatje Amikejo [Vriendschap] stichtte. Vijf talen en zowat zes nationaliteiten op een oppervlak van nagenoeg 700 voetbalvelden. Nergens werd een eeuw Europese geschiedenis zo geconcentreerd verpeuterd als hier in Kelmis.

Het was na de val van Napoleon in 1815 dat tijdens het Congres van Wenen de grenzen binnen Europa opnieuw getrokken moesten worden. Zo moest ook de grens tussen Pruisen en het Koninkrijk der Nederlanden worden bepaald. (België bestond toen nog niet, dit gebied werd grotendeels bij Nederland getrokken)
Echter bij Moresnet, namelijk bij het plaatsje Kelmis, kwamen ze niet tot overeenstemming omdat bij Kelmis een belangrijke zinkmijn lag. Omdat geen van beide landen deze belangrijke grondstof in handen van de ander wilde laten vallen, hebben ze er nog een jaar lang over moeten onderhandelen.
Uiteindelijk werd in 1816 in een apart grensverdrag, het Akens Grensverdrag, (ook wel het 'Verdrag der Grenzen' genoemd) besloten het gebied (de Mairie Moresnet) als volgt in drieën te verdelen. Het westelijk deel van Moresnet kwam bij Nederland, het oostelijke en huidige Neu-Moresnet ging als Pruisisch Moresnet naar Pruisen en het gebiedje met daarin het plaatsje Kelmis en zijn zinkmijn kreeg een neutrale status. En het was dit laatste driehoekje met zijn status aparte dat onder de naam Neutraal Moresnet als ministaatje verder ging, weliswaar onder gezamenlijk bestuur van een Pruisische en een Nederlandse commissaris en met de burgemeester als staatshoofd. [Bron: website van Moresnet.nl].

BOEKEN

De Nederlandse boekenweek anno 2016 heeft als thema: Wass Ich noch zu sagen hätte en dus is er aandacht voor onze oosterburen en ook voor Moresnet, getuige twee boeken. Van Philip Dröge: Moresnet en het Boekenweekessay van David van Reybrouck: Zink. In dit laatste boek wordt het leven verteld van Emil Rixen, die vijf nationaliteiten heeft gekend, een Nederlandse vrouw trouwde, elf kinderen schiep en in twee verschillende legers heeft gediend. Een zeer bizar en meedogend mooi verteld verhaal.



zaterdag 14 november 2015

WAT KUNNEN WE WETEN - HET POSTMODERNE DENKEN



Wat kunnen we weten?
Het postmoderne denken.
[Leyloren 51]
De belangrijkste vraag in de filosofie – of gewoon – bij alle mensen is niet: Wat is de zin van het leven? Want de zin van het leven is het leven zelf. Maar belangrijker is de vraag: Wat kunnen we weten?
De antwoorden op deze vraag hebben vaak geleid tot botsingen met religieuze en wereldlijke overheden.
Draait de zon niet om de aarde? Als alle mensen gelijk zijn, waarom zijn er dan slaven?
De wereldgeschiedenis gaat om de strijd om het weten, om de waarheid. En die strijd moet altijd geleverd worden tegen de heersende macht.

Het moderne weten vergt een aanhoudende inzet om de waandenkbeelden en de manipulatie van de waarheid door de macht te bestrijden en te ontmaskeren. 
Maar wat blijft er over als alles is gedemaskeerd?
Het postmodernisme.
In het postmodernisme is waarheid een hermeneutische illusie.

Om het Postmodernisme uit te leggen beginnen de uitleggers bij Plato. We zijn grotbewoners die de schaduwen van onszelf op de wanden van de grot aanzien voor iets buiten ons. Bij Plato is er onderscheid tussen de zichtbare werkelijkheid of natuur (physis) en de idee (nomos). In zijn opvatting is er plaats voor het transcedente; iets wat we enigszins kunnen kennen in symbolen; zeg maar schaduwen. Deze opvatting wordt eigenlijk tot ver in de 18de eeuw meegenomen: er is iets hogers, buiten ons. Kunst toont ons een schim van dat hogere; kunstenaars hebben een apart orgaan voor dat hogere. Toen de archeologen extatisch rapporteerden over de vondsten in de piramiden van Egypte, leidde dat tot een nieuwe kunststroming: het symbolisme. De beeldende toepassing  daarvan is art nouveau. Voor een kennismaking hoef je niet naar Egypte; een rondleiding in een (post)moderne piramide is dichterbij mogelijk, het warenhuis Harrods in Londen is door de Egyptische eigenaar El Fayadd in een schatkamer veranderd. Hij - de postmoderne Farao - is de vader van Dodi die zich opgejaagd door paparazzi met prinses Di te pletter reed in een Parijse tunnel. Een sublieme  postmoderne dood.

Dat in de natuurwetenschappen "het hogere" allang was verbannen naar het rijk van de astrologen, waarzeggers en priesters, was voor schrijvers en filosofen pas schrikken toen Nietzsche zijn "Umwertung aller Werte" propageerde.
En na hem Wittgenstein: "filosofie is een taalspel". En Foucault (1926-1984), de grondlegger van het poststructuralisme, die ons wijst op de vermeende superioriteit van het westerse denken. De menselijke geest is een product van zijn evolutie, dus een deel van de natuur, dus alles wat de menselijke geest aan gedachten produceert zijn projecties, modellen, taalconstructies van diezelfde geest, dus bedenksels, even subjectief als de meningen van een gek. Een collectieve gekte weliswaar.

Bij Lyotard (1924-1998) begint het postmodernisme. Door Auschwitz verloor de geschiedenis haar redelijkheid. Het beeld van de geschiedenis die afstevent op een doel, een belofte voor bevrijding, is vals. Filosofie is een metaverhaal. De filosofie; de wetenschap verliest haar legitimiteit. Het gaat nu - in de kunst bijv. - alleen nog maar om de ervaring van het sublieme. Een andere naam: Derrida vertegenwoordigt het deconstructivisme. Hij is tegen het logocentrisme van Plato, maar verwerpt ook filosofie als taalspel. Wanneer je teksten analyseert, kun je beter kijken naar wat er niet in staat. Teksten verwijzen bovendien altijd naar elkaar; zgn. intertekstualiteit.

Rorty vindt weer dat het alleen maar om nut gaat. De wereld, de taal, de cultuur zijn niet noodzakelijk, maar toevallig, dat heet contigent. Men kan slechts ironisch naar de geschiedenis, de taal, etc. kijken. Alles is product van toeval en tijd. Eco vult dit aan met zijn uitspraak:"De ironische herwaardering van het verleden is één van de vormen van hedendaags herkauwen". De literatuur is potentieel oneindig, zelfherhalend., als het rizoom in De naam van de roos; een labyrint zonder centrum, geen buitenkant, geen uitgang.

In het Postmodernisme heeft niets zin of betekenis; nihilisme dus. Vooral de gedachte dat de mens een uniek en autonoom wezen is, is verdwenen. De begrippen waarheid - intentie - authenticiteit - betekenis - logica - zijn zinloos; hermeneutische illusies. Het PM maakt geen onderscheid tussen kunst of kitsch; werkelijkheid of fictie. Alles is tekst; of het nu literatuur is of trivia. Als de kunst het leven weerspiegelt, dan weerspiegelt zij de leegte. Het postmoderne leven -een bewuste vorm van wegkijken- is een reactie op het bombardement van de beelden der verschrikking in de media die tonen dat de wereld een wrede chaos is. Deze pragmatische levensstijl reageert alleen op directe impulsen; ze is consumptief, globalistisch, flashing, subliem.

De postmoderne kunst kenmerkt zich daardoor met:

1.      Eclecticisme: het gebruik van elementen uit andere kunstvormen of van andere kunstenaars in het eigen werk; originaliteit is niet vereist
2.      Metafictionaliteit: geen verschil tussen waarheid en fictie
3.      Intertekstualiteit: teksten verwijzen naar elkaar, men parodieert, citeert, imiteert.
4.    Pluriformiteit - grote vrijheid van middelen, uitdrukkingsvormen, uitingswijzen.

Welke voorbeelden zijn er:
James Joyce's  Ulysses wordt wel als de moeder van de PM-teksten gezien. En Slaughterhouse 5 als combinatie van realiteit en droom. De Revisor-groep experimenteerde met het: "Als Eileen niet op die dag…, dan zou dit verhaal…De ‘als… dan’ virtualiteit is net zo echt of onecht; als de echte. Elke roman is een constructie. Ons levensbeeld is een constructie..
Rob Scholte - de kunstenaar zonder benen - maakte "De schreeuw" na: een clownspop schildert aangedreven door een mechaniekje: "De schreeuw". Inmiddels schildert hij in Japan een gigantische muurdecoratie met een 17de eeuwse vlootschouw van Willem van der Velde na met daarin striptechnische elementen.
In de architectuur zijn er musea als het Centre Beaubourg in Parijs [een binnenstebuiten gekeerde constructie] en het Groninger museum dat lijkt op een schip, een ruimtevaartuig en een kasteel ineen.
Kennis is morgen verouderd (zou het?) en wie wat wil weten, kijkt op Wikipedia.
Losse weetjeskunde.
En geen begrip.
Dus consumeren maar.



[Bronnen: M. Nio; Het komplot van de wereld
Lyotard: L'analytique du sublime; La condition postmoderne; Het postmodernisme uitgelegd aan onze kinderen
Ts: Literatuur, sept-okt 1985]

woensdag 23 september 2015

Het wereldbeeld van Wittgenstein




Het mechanische wereldbeeld van Wittgenstein
[Leyeloren 50]


Wittgenstein wist niets van Einstein en dat is jammer, want Wittgensteins natuurwetenschappelijke beschouwingen zijn nog ontleend aan Newton.
Wittgenstein had daarom nog een mechanisch beeld van de natuur.

Dat blijkt uit volgende stukken uit de Tractatus.

Neem stelling 6.3: Het onderzoek van de logica betekent het onderzoek van alle wetmatigheid. Daarbuiten is alles toeval.

Stelling 6.341: De mechanica van Newton verschaft uniformiteit aan de vorm waarin de wereld beschreven wordt.

Bij deze stelling komt Wittgenstein met een moeilijk uitleg over de beschrijving van de elementen in de vorm die we herkennen als pixels. Je hebt - even voor het gemak - een zwart-wit foto die je reduceert tot een patroon van alleen zwarte of witte pixels, zoals vroeger een cliché, een stempel met puntjes. Noem zwart (puntje =) 1 en wit (geen puntje =) 0; dan heb je een binair stelsel, de huidige standaardvorm om tekst, geluid en beeld te digitaliseren. Elk complex beeld is opgebouwd uit talloze enen en nullen, maar het systeem werkt binair met maar twee elementen, 0 en 1. Zo denkt Wittgenstein dat je met deze matrix de wereld beschrijft. Deze matrix is twee dimensionaal en dus de beschrijving ervan ook.
Een driedimensionaal matrix was technisch nog niet mogelijk.

Het volgende aspect is de tijd. Tijd is de vierde dimensie.
Volgens Wittgenstein spreekt men niet van het verstrijken van de tijd, maar dat dit proces een analoog gegeven is; gekoppeld aan het verloop van iets anders, bijv. de draaiende aardbol (alledag dag en nacht).
Causaliteit is wat zich voordoet in de loop van de tijd; niet tegelijkertijd, maar ervoor en erna. We leggen verband tussen op elkaar volgende gebeurtenissen, het verband tussen oorzaak en gevolg, al weten we vaak niet of dat verband klopt. Neem de geconditioneerde reflex als in de wet van Pavlov. De hond legt na een aantal keren verband tussen het luiden van een bel en het vallen van een pond vlees voor zijn neus. Zijn maagsappen beginnen te werken, ook als hij later alleen een bel hoort luiden. De hond denkt dat de bel de oorzaak is van het krijgen van vlees. Het vlees (en het verteringssap) is het gevolg van het luiden van een bel. Zo ongeveer werkt een natuurwet.

Of, zegt Wittgenstein: we geloven dat de zon morgen opgaat, maar weten doen we het niet.
Wat bedoelt Wiitgenstein met ‘weten’? We vertrouwen op de natuurwet. Als we er niet meer op kunnen vertrouwen dat morgen de zon weer opgaat, dan kunnen we van niets meer op aan. Al gaat niet de zon op, maar het is de aarde die draait, maar dit terzijde.
Nee, zegt Wittgenstein: De hele moderne wereldbeschouwing berust op de dwaling dat de zogenaamde natuurwetten de verklaringen zijn van de natuurlijke verschijnselen. [St. 6.371]
Wittgenstein bedoelt hiermee dat die wetten wel verklaren wat de verschijnselen doen, maar we weten nog niet waarom die verschijnselen er zijn.
Zogenaamde natuurwetten? Ja, een keer stort het zonnestelsel in en wellicht later het hele heelal, waarmee inderdaad een einde komt aan alle natuurwetten, maar tot zolang komt de zon morgen toch echt op. Wet of geen wet.
Geen God, geen Noodlot, geen natuurwet.
Er bestaat alleen een logische noodzakelijkheid.
Wat is dat dan?
Taalspel?

Stelling 6.373: De wereld is onafhankelijk van mijn wil.
Oké.
Een deeltje kan niet tegelijkertijd twee snelheden hebben. Of een punt in het gezichtsveld heeft niet tegelijkertijd twee verschillende kleuren. Zegt Wittgenstein.
Een ongelukkig voorbeeld, want kleur is geen vast object, maar een golflengte waaruit je niet een los deeltje kunt halen. Dus wat neem je eigenlijk waar? Het licht verandert steeds; de kleur hangt van de frequentie van de golf af; een groot deel is onzichtbaar [voor mensenogen]. Wist Wittgenstein niet.
Er zijn wel natuurwetten, in die zin dat bijv. lichtsnelheid een constante is. Wittgenstein vat het begrip wet semantisch op; hij ziet wet, dus iemand schrijft het voor. Het moet van iemand. Hij kan niet formuleren wat een natuurwet wel is. Een proces dat voortkomt uit de formule van Einstein e=mc2; is heel wat anders dan de evolutieleer, die stelt dat de ene soort uit de andere voortkomt, maar dit zijn geen vastgelegde wetten; maar voor een deel toevalligheden bepaald door geologische, biologische processen en ecologische omstandigheden, die steeds weer anders verlopen; wel herleidbaar tot mutaties in het DNA; pas acheraf (en niet altijd) verklaarbaar, terwijl de e=mc2 kwestie wel voor dit helaal een onontkoombaar natuurwet is, waarvan de gevolgen voorspelbaar zijn. De natuur kan de lichtsnelheid niet veranderen; wel kan het licht krommen als het beïnvloed wordt door elektromagnetische velden.


Stelling 6.41: De zin van de wereld moet buiten haar liggen.
Stelling: 6.4312 De oplossing van het raadsel in ruimte en tijd te leven, ligt buiten ruimte en tijd.
Hier weer ruimte en tijd. Had hij Einstein gekend dan heette het ruimtetijd continuüm; iets wat direct met elkaar verbonden is. [niet tegelijkertijd, niet parallel, er is immers geen aparte tijd dimensie maar een ruimtetijd verbinding; ruimte is tijd.] Daarbuiten is niets. Dus ook de oplossing van het raadsel!

Wittgenstein moest natuurlijk ook met God afrekenen die zich immers niet in de wereld manifesteert; het probleem is niet waarom er, of beter, hoe de wereld is, maar dat zij is. Er is geen raadsel, want dat zou je kunnen oplossen. De wereld is er, ze is een daadzaak, een feit.
We zien en ervaren haar, maar het waarom en de causaliteit, daar weten we niets van. Je kunt er niets van zeggen. Zegt Wittgenstein.

Terug naar de natuurwetten. Bij Newton heb je het idee van de klokkenmaker. De wereld is a.h.w. in elkaar gezet als een klok en die draait dan verder uit zichzelf door. Newton leert waarom de antipode niet van de wereld valt. De antipode valt in de antieke wereld van de aarde, omdat hij er niet op staat. Door zijn gewicht valt hij naar beneden en verdwijnt. Maar er zijn geen antipoden, nooit geweest. Dat komt zegt Newton, omdat een ding dat zich op aarde bevindt, graag de afstand tussen hetzelf en het middelpunt van de aarde wil verkorten. Het verlangt naar binnen. [Dingen met een wil?] Dat gebeurt met elk ding op elke bol. Maar bij Newton is de schepping een mechanisme als een klok. Iemand heeft het ding ooit aangezet en kan daarna niets meer veranderen, ook God niet. Dat de oude God dat wel deed door een zondvloed te sturen, moeten we zien als fictie, een metafoor, een verhaal van de ark voor de brave Noah en straf voor de zondaars.
Maar hoe komt Newton dan verder met de schepping? Dat het eeuwig zo onveranderd voortgaat? Hij wist niet dat de zon een soort kerncentrale is die op een dag zonder brandstof zit. Of dat een supergroot zwart gat zo dicht bij de zon kan komen, dat we in een fractie van een seconde met Titan en zon en al opgeslurpt worden in het eeuwige niets. Wittgenstein en Newton wisten niets van dit Einsteiniaans geweld. De Tractatus had nog veel korter gekund. Eigenlijk is de laatste zin voldoende. Er is geen filosofisch antwoord op de zinvraag.
Toch wordt er heel wat over gefilosofeerd.
Filosofie is Taalspel. Helpt niet. Wat helpt is een goeie dokter, goed voedsel en drank  – niks voor de sobere Wittgenstein. Wat ook helpt elementaire ethica en wat esthetica [zijn hetzelfde zegt Wittgenstein] want over deugd en smaak valt veel te twisten. En een zengevoel: de wereld is er zoals ze is en je komt op die wereld en je kunt er niet veel aan doen.

Wat ik zo vreemd vind aan de Tractatus en de neopositivisten (of logisch empiristen) is die moeite die wordt gedaan om deze filosofische kwesties naar een soort wiskundig model te herleiden; de symbolische logica. Wittgenstein vond dat eigenlijk zelf ook, gaf hij toe. Het zijn allemaal tautologieën, in de zin van als a = x en b =  x dan is a gelijk aan b; of als a een deel is van verzameling x en b is een deel van verzameling y en c is zowel een deel van verzameling x en y en z dan is, als a gelijk is aan c, a ook een deel van , etc. etc. Maar wat druk je ermee uit? Wittgenstein wil beweren, denk ik, dat je met allerlei stellingen alleen iets kunt zeggen wat logisch noodzakelijk voortvloeit uit de volzinnen zelf.
Hij zegt bijvoorbeeld: de dood beleef je niet. Een heel banale gedachte. Als je dood bent, weet je dat niet. Maar weten dat je doodgaat, besef je dat niet? Vraag het de terminale kankerlijder.Waarom spreekt hij zo over de dood, door eigenlijk te zeggen dat die niet bestaat? Als je in het nu leeft, in de ontijdelijkheid, leef je eeuwig en als je dood bent, heb je geen last van de gedachte dat je dood bent, dan ben je in de ontijd. Zegt de zoon uit een zelfmoordfamilie.

Wat is waar?
Als iets waar is, staat dat niet op zichzelf, maar is dat altijd met iets anders verbonden, de zgn. connectiviteit. Zonder connectiviteit geen samenhang. Als iets waar is en iets wat ermee te maken heeft ook, dan zijn ze samen ook waar. Als maar een van de twee niet waar is, of als ze allebei niet waar zijn,, dan zijn ze samen nooit waar; dus van twee proposities kan er maar een kwart samen waar zijn. Dat legde professor Stuiveling anno 1965 al uit in zijn eerste college aan de eerstejaars studenten letterkunde. [Stuiveling was taalgeleerde, maar hij had bij het CBS - het statistiekbureau - vervangende dienstplicht vervuld].
Het gaat in dit W[aar] en O[nwaar] schema niet om syllogismen, maar om binaire kwesties. Als p waar is en q waar is, dan, ...enz.

 p         q         dan p.q
W        W        W
W        O         O
O         W        O
O         O         O

Dan kan een uitspraak ook nog zinledig zijn.
Er is dus maar weinig waar.

Terug naar Einstein. Tijd en ruimte zijn niet andere dimensies. Het pixelraster is leuk om een soort matrix van de waarneming te maken, maar zegt niets over de elementaire bouwstenen van de wereld: de atomen, die zelf weer bestaan uit deeltjes, quarks, die uit kwaliteiten bestaan, zoals charm en love. Zijn het snaren of golven? De tijd is een exponent van de uitdijende wereld ontstaan uit de oerknal waarvan we niet weten wat de oorzaak is. In de causaliteit van ons bestaan, van alle materie, ontbreekt het begin. Waar is die logische noodzakelijkheid zonder aanvang? De anti-materie? De omgekeerde tijd? Zonder materie is er geen tijd, geen energie, geen heelal. Van Schrödingers kat, die tegelijkertijd dood en levend is, wat strijdt met de logische noodzakelijkheid, had Wittgenstein nog geen weet. Van Darwin had Wittgenstein evenmin kaas gegeten, met zijn star mechanisch en wiskundig beeld van de wereld. Omdat je in zijn tijd die loden erfenis had van Plato - die de zichtbare dingen ziet als afspiegeling van de idee - van het ding an sich, die verschrikkelijke klets van filosofen als Kierkegaard, altijd bezig de filosofie te verzoenen met de schepper, bang voor de wrakende God.
Ook Wittgenstein heeft dat; de wereld is een voorstelling van de dingen, of liever van de feiten, de daadzaken, maar wat zijn die? Ja, de wereld is een verzameling gebeurtenissen, van daadzaken. Maar dat een daadzaak een voorstelling is van een daarachter liggend beeld? Welk beeld moet dat dan zijn? Dat Ding an sich? Dat geen ding is. Er bestaan geen waarheden a priori.

We leven in het licht van de zon, die een ster is in een gigantische spiraalnevel die we Melkweg noemen, die op zijn beurt een piepklein stukje materie vormt in een heelal van miljarden van zulke stelsels, waarin we nooit en zeker fysiek, nooit zullen doordringen.
Wittgenstein wist hier niks van. Merkwaardig omdat hij van dezelfde generatie is als Einstein. Zijn wereldbeeld is daardoor beperkt. Van de consequenties van de bijna honderd jaar geleden geformuleerde Algemene Relativiteitstheorie had hij geen weet. Als tijd en ruimte niet meer absoluut zijn, wat dan nog wel? Dan zijn ook de waarheid en de feiten schijn.
Buiten schijnt de zon.
Lang genoeg gefilosofeerd.
Waar is mijn cultiveerhark?

donderdag 17 september 2015

BABEL



De bibliotheek van Babel
 [Leyeloren 48]

Het idee dat er een bibliotheek zou moeten zijn van alle boeken, is uitgewerkt in de fantastische roman van Jorge Luis Borges De bibliotheek van Babel.
Hij schreef dit boek in 1941. In de bibliotheek staan alle bestaande, nog te schrijven en alle denkbare boeken en de catalogus van alle catalogi en daar weer de catalogi van. Het gebouw is een rizoom: een oneindig doolhof dat enigszins is gesuggereerd in de film van de Roman van de Roos. Beelden die weer teruggaan op tekeningen van Piranesi, die je weer terugziet in de film van De ontdekking van de hemel.
In de hemel hebben ze uiteraard alle boeken.

Deze bibliotheek bestaat niet? Toch wel. Sinds kort in de virtuele digitale wereld. Jonathan Basile bouwde de bibliotheek op de site: libraryofbabel.info. De bibliotheek bevat uitsluitend, zoals uitgelegd in het boek van Borges, boeken van 410 bladzijden, per plank 32 boeken en vijf planken per kast in een zeshoekige zaal. Elke zaal van het oneindig aantal zalen heeft twee doorgangen, naar andere zalen. Je kunt er (virtueel) eeuwig doorheen dwalen.


Door zich enige beperkingen op te leggen in het aantal tekens [23 letters en 3 tekens, geen hoofdletters, maximaal 3254 tekens per blad], bevat de bibliotheek in principe 10 tot de macht 5076 stuks boeken (een andere bron meldt 10 tot de 4679e); dat zijn meer boeken dan atomen in het heelal (10 tot de macht 80), waarmee niet de eindigheid van de literatuur, maar de eindigheid van het heelal onderstreept wordt. De meeste boeken bestaan uit een zinledige reeks letters, bijvoorbeeld:  qqpkux hcr.,gxozkslrlsbdy.c.ciqqxawxsculweolqkziaoeqvaadcl ,owqtjclkjlyvrba.dis,  maar via een zoekfunctie is het mogelijk een stuk van je eigen boek te vinden (mocht je dat hebben geschreven of nog gaan schrijven). Het is niet te controleren of alle bestaande of denkbare boeken in deze bibliotheek staan, want ook dat duurt eeuwig.
Ik heb de titel van mijn tweede boek ingetikt en ja hoor, het stond er in. En nog gekker, het woord hovel (zo heet het winkelcentrum dat in mijn boek genoemd wordt) stond er naast.

rs tabbouleh antennas soullessnesses hapten prate peradventure
nosegay morkin sa, pphirines butterfats epigraphers procreations
zwindingen hovel huzzahing oaked freshmanships tricksier 
lollapalooza serpentinous cocking interbrains starworts c




Het Babelverhaal van Borges is 'werkelijkheid' geworden in de virtuele bibliotheek van het wereldwijde web alias www, een constructie die continu in de opbouwfase verkeert en almaar uitdijt, zoals het heelal ook doet. Tot het of ontploft of ineenknalt in één groot zwart gat zo groot als een tennisbal, wat ooit gebeuren gaat. Maak je geen zorgen. Wie dit leest, zal het niet meemaken.
In de bibliotheek van Borges heerst een strakke ordening van vaste galerijen, trappen, kamers en kasten. In het wereldwijde web heerst de chaos.Zelfs een piepklein onderdeel dat enige orde probeert te scheppen in de informatievloed, i.c. Wikipedia, is al een nachtmerrie van verwijzingen, zinloze feiten correcties op die kennis en doelwit van maniakale kennisverzamelaars.
Als alle kennis van de wereld is verzameld in alle denkbare boeken, wat Borges misschien nog een absurd maar toch wenselijk idee vond, dan ontbreekt er toch nog iets: nl. integratie van kennis in een denkmodel om tot begrijpen te komen. 

DOCTOR SYNTAX




DOCTOR SYNTAX OP ZOEK NAAR HET PITTORESKE

 [Leyeloren 48]



In 1812 publiceerde William Combe zijn boek: The tour of Doctor Syntax in search of the Picturesque. A Poem. Het werk werd geïllustreerd met aquatinten van Thomas Rowlandson. Dit in het 19de eeuwse Engeland zeer populaire werk is onlangs verschenen in een [eerste volledige] Nederlandse vertaling van de Tilburger Martin Hulsenboom.

Het lange verhalende gedicht van William Combe bestaat uit bijna tienduizend regels op de versmaat van de tetrameter, een viervoetige jambe. Het bleek onmogelijk om deze versmaat in het Nederlands aan te houden. Met slechts acht lettergrepen, zoals in het Engels origineel, was het onvertaalbaar. Dus koos Hulsenboom voor de pentameter of vijfvoetige jambe, wat hem twee extra lettergrepen opleverde. Daarnaast rijmen de regels gepaard. Het moet een eindeloos gepuzzel zijn geweest om dat gepaarde rijm en het jambische metrum al vertalend aan te houden. Het kostte Hulsenboom dan ook vijftien monomane maanden (schrijft hij zelf in de verantwoording) om Doctor Syntax te vertalen. In zijn vrije tijd welteverstaan, want van beroep is Hulsenboom geen vertaler. Laten we eens kijken hoe hij dat doet.


I'll make a tour -- and then I'll write it.           Ik maak een Tour en ga die dan beschrijven
You well know what my pen can do,               Je weet, mijn pen is toch behoorlijk vaardig
And I'll employ my pencil too: --                     En ik hanteer het potlood niet onaardig.
I'll ride and write, and sketch and print,        Als ik dat alles ook kan laten drukken,
And thus create a real mint;                           Schep ik een werk dat allen zal verrukken.
I'll prose it here, I'll verse it there,                 Wat proza hier en een gedichtje daar:
And picturesque it everywhere.                     Ik pittoresk het zomaar bij elkaar.
I'll do what all have done before;                   Toeristen zal ik volgen van weleer,
I think I shall -- and somewhat more.            
Hun spoor zal ik betreden – en nog méér.
At Doctor Pompous give a look;                       Ik wil dat jij Pompeus zijn boek bekijkt:
He made his fortune by a book:                      Die heeft zich met dat werk immens verrijkt
And if my volume does not beat it,                  En schiet mijn resultaat tekort,
When I return, I’ll fry and eat it.                    Belandt mijn boek na terugkeer op mijn bord.

Gepaard rijm is – vind ik – niet mooi, zeker als het eind van de zin of deelzin aanhoudend samenvalt met het eind van de regel (zoals bij sinterklaasgedichten). Dus moet er nu en dan geënjambeerd (over de regeleinden doorgelezen) worden. Ziehier in de bierkelder:

De ale, die arme sloebers kommer doet
Vergeten, stroomde dra in overvloed.

En al rijmend ervaart de lezer meteen wat het pittoreske is:

Als ik aandachtig kijk naar de Natuur
In haar smaragdgebladerde paruur
Of in haar almaar wisselende voile
Van najaarsbruin of gouden zomerpraal
Of zachtjes blankbevlokt, wanneer het vriest
En zij haar bontgetinte tooi verliest,
Dan voel ik louter eerbied voor de Macht
Die ons bekoort met al die kleurenpracht.

Dat het met het gepaard rijm niet altijd uitkwam (i.e. praal rijmt op voile ) blijkt op een flink aantal plaatsen, waar met een accolade aangegeven wordt dat drie regels op elkaar rijmen.

De wagen schokte plots – de wielen kraakten –
En Syntax’ medepassagiers ontwaakten.
Ook Knorrepot. Hij geeuwde lomp en kwaakte:
‘Da’s toch geen snelheid! Wat een slappe hap!’
De jongedame riep: ‘We gaan juist rap!’

Wat maakt het zinnig om dit eens beroemde werk van Combe anno nu in het Nederlands te vertalen? Er is hier geen mens die Doctor Syntax kent [of het moet ene Doctor Paardekooper zijn wellicht]. Het is als bij de alpinist die antwoordde op de vraag waarom hij een berg beklimt: ‘omdat hij daar is’. En dat onbekende boek moest dus vertaald worden. Al met al een gigantische klus, waarbij de vertaler vaak moet hebben gedacht: ‘Waar ben ik aan begonnen, maar ja, eenmaal begonnen tot aan het einde doorgeklommen.’ Maar onderweg vooral: wat een lust in het spelen met de taal, dat zich toont in vaak sublieme vertaalvondsten. Lauwerkransen, paukenslagen en trompetgeschal en slingers van lampjes in de Hulsenboom!

Doctor Syntax is de stamvader van de zonderlingen (archetype van de verstrooide professor), die wij hier kennen, als Meester Prikkebeen alias Steckelbein of Monsieur Cryptogame. De held van ons verhaal maakt, zo laat de ondertitel zien een Tour; iets wat rijke jongelieden (hierboven anachronistisch aangeduid als toeristen) in de 17de -19de eeuw deden: P.C. Hooft en J.W. von Goethe bijvoorbeeld. Sommigen (Goethe) schreven daar dan een lang verhaal over. Einddoel Rome, soms zelfs Napels. Zo’n Grand Tour duurde makkelijk een jaar of langer. Onze Doctor gaat maar een aantal weken op pad in eigen land en hij rijdt met zijn paard Grijsje over landelijke wegen op zoek naar het pittoreske. Via Oxford en Liverpool reist hij niet naar Rome, want hij eindigt in Londen, waar niet het pittoreske, maar gok- en geldlust heersen. Een Petit Tour dus. Syntax zit vaak te mijmeren over zijn boek, dat hij gaat schrijven en schetsen en dat hij al verkoopt nog voor hij de reis beëindigd heeft.

De boekverkoper in Paternoster Row (in Londen):
                 Dit Boek wordt zó door mij gepubliceerd,
                                   Dat het zichzelf probleemloos adverteert!
                                   Op zo’n groot opus mag men niet besparen:
                                   Ik druk beslist tweeduizend exemplaren.

Het object van de satire is wel duidelijk. Naast de karikaturale onhandigheid en het gezwatel van een doorgeleerde broodmagere schoolmeester-dominee is er de spot met de Engelse maatschappij. De satire is vooral gericht op de kunst van het pittoreske. Na een paar eeuwen waarin de schilderkunst zich vooral bezig hield met het conterfeiten van religieuze en mythische voorstellingen, kwam er met de romantiek aandacht voor het natuurlijke landschap, maar dan doorleefd met gevoel: mysterie en drama (ruïnes in nevelig maanlicht), kortom het pittoreske. De theorie over wat een pittoresk tafereel is, werd in Engeland geformuleerd door William Gilpin, die hierboven wordt aangeduid als Doctor Pompous. De schilder werd verondersteld de natuur een handje te helpen door haar romantisch, dus dramatischer, woester en levendiger voor te stellen. (maar weer niet gothic).[1] Zo werd deze schilderstijl een aanjager van het toerisme, dat begon met rijke Engelsen die met een schetsboek op zoek gingen naar een echt bestaand schilderachtig landschap, dat dan vooral gevonden werd in Italië. Zo ver gaat Doctor Syntax niet.

De tekeningen van Rowlandson maken in Doctor Syntax van die destijds populaire romantiserende schilderingen een karikatuur. Deze aquatinten werden stuk voor stuk eerst gemaakt, waarbij Combe dan een verhaal bedacht. Zo ontstond er een aaneenrijging van belevenissen. Doctor Syntax wordt beroofd en door stieren op de hoorns genomen; hij valt in het water bij een ruïne; verliest zijn geld bij de renbaan; verkoopt zijn paard dat wordt mishandeld; hij vertelt zijn ervaringen waarbij iedereen in slaap valt, etc. Uiteindelijk loopt alles weer goed of liever gezegd nog beter af. Het is een vermakelijke geschiedenis, alleen voor onze tijd misschien nogal tam. Daarbij komt natuurlijk dat [niet Engelse] lezers van nu de subtielere passages en dus de essentie van de satire niet steeds aanvoelen. Dat verhelpt zelfs een knappe vertaling niet.
Waar dit allemaal op slaat, vindt u uitgelegd in het boek zelf.
Lees dat boek. Gebonden, geïllustreerd, ingeleid en geannoteerd. U betaalt geen cent teveel voor dit juweel. Boekverkoper en uitgever Donker heeft alvast tweeduizend stuks gedrukt.

Joannes Maas




[1]  Het pittoreske bevindt zich kunsthistorisch gezien tussen het voorafgaande classicistisch estheticisme en de heftig romantische kunst van het sublieme (denk aan Turner, Van Gogh). In de hedendaagse kunstbeschouwing is het pittoreske, hoewel geïnspireerd  door Nederlandse landschapschilders als Ruysdael,  (maar zonder dat sublieme licht) zowat synoniem aan rustieke salonkunst. Combe was er dus vroeg bij door de populariteit van het pittoreske – en vooral het commerciële aspect - tot voorwerp van zijn satire te maken. Je getuigde van goede smaak als je zo’n rustiek landschap tegen het behang hing of (nog steeds) hangt.